nummer van 08/11/2014 door

‘Mammy’ van Al Jolson

Meer dan alleen blackface

Mammy – Al Jolson (Jazz Singer performance)

In tijden van cultuurtraditionele reuring, tegenwoordig aan de orde van de dag, denk ik wel eens aan Al Jolson (1886-1950), de in Rusland geboren jood die zijn gezicht voor hij het podium betrad zwart verfde. Jawel: de zanger, acteur en komiek, op het hoogtepunt van zijn carrière ‘The World’s Greatest Entertainer’ genoemd, was ooit de grootste vertegenwoordiger van blackface. Blackface, een vorm van theaterschmink, in de negentiende eeuw met name door Amerikaanse artiesten gebruikt om een zwart persoon voor te stellen, was ontsproten uit de in voorgaande jaren populaire minstrel shows. Die minstrel shows boden muzikaal vermaak in de vorm van blanke mannen die, zoals je kunt verwachten, op verschillende manieren de spot dreven met Afro-Amerikanen. De geijkte stereotiepen kwamen langs: uitbeelding van het slavenbestaan in de zuidelijke staten en de zwarte man als een naïeve, luie volgeling van zijn witte medemens, die louter zingend en dansend door het leven gaat. In onderstaande documentaire van PBS krijg je een beeld van hoe blackface en minstrel shows zich vanaf pak ‘m beet 1830 ontwikkelden en wat de rol van Afro-Amerikanen in minstrelsy zelf was.

Die goeie ouwe tijd

Het is niet makkelijk om met de kennis en tijdgeest van nu te kijken naar blackface-acts. Zoals naar deze, van Eddie Cantor, of deze van Judy Garland. Het is ongemakkelijk. Van een andere tijd. Toen dat nog ‘kon’. Tenzij je vindt dat het nog steeds kan; dat je de hele Zwarte Piet-discussie in eigen land hoog opneemt en blijft strijden voor een koloniaal, racistisch element uit een toch al dubieuze traditie. In deze act van Glenn Vernon en Edward Ryan uit 1950 wordt teruggeblikt naar ‘die goeie ouwe tijd’ van de populaire minstrel shows waarin blackface een prominente rol speelde (vanaf 1:00). Terwijl Vernon en Ryan zwarte schmink op hun gezicht smeren, horen we hoe hun accent en manier van spreken langzaam verandert in die van de stereotype zwarte man. Op het moment dat bepaalde types met weemoed terugkijken naar ‘die goeie ouwe tijd’ waarin de zwartgeschilderde Piet nog met dikke lippen, gouden oorbellen en Surinaams accent rondliep, weet je in ieder geval één ding zeker: het gaat de goede kant op.

Bert Williams maakte zijn donkere gezicht ook zwart

Bert Williams maakte zijn donkere gezicht ook zwart

The Real Nigs

Decennialang toonde blackface minstrelsy op nietsontziende wijze aan hoe witte Amerikanen naar zwarte Amerikanen keken. Advertentieposters van acts kopten: “Kom naar het theater en zie hoe het leven op de plantage er écht aan toe ging!” Er werd geen gewone theatershow geadverteerd, maar een soort gat in de kijkdoos die ‘het Afro-Amerikaanse leven’ heette. Het fenomeen beïnvloedde de hele samenleving: mensen die niet of nauwelijks in de buurt van Afro-Amerikanen leefden, gingen ervan uit dat die dwaze zwartgeschilderde personages op het podium echte Afro-Amerikanen representeerden. Dat het in de kern een racistische uitlating betrof, werd helemaal duidelijk toen Afro-Amerikanen rond 1860 zelf ook minstrel-acts uitvoerden en ze werden geadverteerd als ‘the real thing’. Een groep heette zelfs The Real Nigs.[1] Tegen de tijd dat Bert Williams (1874-1922) het podium in blackface besteeg (bijvoorbeeld in 1916), een van de Bahama’s afkomstige zanger en komiek met Afrikaans, Deens en Spaans bloed die tot Afro-Amerikaan werd gebombardeerd, was het podium verworden tot een plek die ook plaats bood voor zwarte Amerikanen. Williams, die blackface make-up droeg over zijn eigen zwarte gezicht om te voldoen aan de racistische theatrale stereotypen van het tijdperk, wás ‘the real thing’, maar zette de treurigheid van zijn zwarte masker in voor komedie.

The Jazz Singer

Cinema pakte blackface minstrelsy op rond 1920, toen de minstrel show als toneelvorm was doodgebloed. Er zouden tal van musicals gemaakt worden waarin al dan niet ironisch werd gerefereerd aan de blackface-acts uit de negentiende eeuw. Minstrel shows stierven dus weliswaar uit, maar artiesten behielden de liedjes en het zuidelijke accent in hun repertoire. Vernon en Ryan werden al genoemd, maar de bekendste was zonder meer Al Jolson, die blackface in 1927 naar het grote doek bracht met zijn film The Jazz Singer. Daarin werd echter niet zomaar verwezen naar de populaire minstrel acts van weleer, zoals de meeste films uit die tijd deden. In The Jazz Singer was het fenomeen blackface zelf deel van het narratief. De film gíng over blackface: identiteit, multi-etniciteit, racisme. Hoewel de film zich niet expliciet kritisch uitliet over blackface, zette de behandeling van het onderwerp de controverse in een nieuw licht. Dat was vooral te danken aan Al Jolson, die voor veel zwarte Amerikanen de heldenstatus zou bereiken. Dr. Corin Willis, die onderzoek deed naar de representatie van blackface in Amerikaanse films tussen 1927 en 1953, zegt er het volgende over:

In contrast to the racial jokes and innuendo brought out in its subsequent persistence in early sound film, blackface imagery in ‘The Jazz Singer’ is at the core of the film’s central theme, an expressive and artistic exploration of the notion of duplicity and ethnic hybridity within American identity. Of the more than seventy examples of blackface in early sound film 1927–53 that I have viewed (including the nine blackface appearances Jolson subsequently made), ‘The Jazz Singer’ is unique in that it is the only film where blackface is central to the narrative development and thematic expression. [2]

Al Jolson

Jazz-historici interpreteren Jolsons blackface en manier van zingen als metafoor voor Joods en Afro-Amerikaans lijden gedurende de geschiedenis. Volgens Samson Rafaelson, die het originele toneelstuk schreef waarop de film is gebaseerd, gaat het niet om blackface als middel voor de joodse hoofdpersoon om wit te worden, maar over blackface als middel voor joden om een nieuw soort ‘joodsheid’ te uiten, die van de moderne Amerikaanse jood. En Al Jolson leek in alle opzichten perfect voor de rol. Het was zijn snelheid en de verbazende soepelheid waarmee hij zowel het publiek inpakte als een lied vertolkte. In 1911, op 25-jarige leeftijd, werd hij al opgemerkt voor de bestrijding van discriminatie op Broadway. Rafaelson zag hem optreden in blackface in het stuk Robinson Crusoe, waarna hij hem geen jazz-zanger noemde, maar een heuse cantor – degene die het religieuze gebed inleidt. Al Jolson zelf vond optreden in blackface bevrijdend. Zijn alter ego op het podium heette Gus, een listige en bijdehante dienaar die altijd slimmer was dan zijn witte meesters. Op deze manier gebruikte Jolson komedie om spot te drijven met het idee van white supremacy. Dat hij als enige witte welkom was in een all black nightclub in Harlem, zegt misschien genoeg over de status die hij begin twintigste eeuw verwierf. Al Jolson droeg blackface, maar deed het om de culturele kloof tussen zwart en wit Amerika te overbruggen.

  1. [1]Bron.
  2. [2]‘Meaning and Value in The Jazz Singer (1927)’ in: Gibbs, John and Doug Pye (eds) Style and Meaning: Studies in the Close Analysis of Film (2005) Manchester University Press

Tags: , , , , , , , , , , , , ,

-->