nummer van 10/08/2014 door A. Den Doolaard

‘Koliko Te Volim, Ne Voli Te Niko’ door Ivana Pandurovic

Over muziek, vrouwen en drank

A. Den DoolaardNu tweederde van de Nummer Van De Dag-redactie dit jaar aan de andere kant van Europa muziek verslindt in Ohrid, Macedonië, ontwikkelen zij een gezonde obsessie voor A. Den Doolaard (1901-1994). De zwervende schrijver reisde door heel Oost-Europa en streek meerdere malen neer in Ohrid, om met grote passie te schrijven over muziek, vrouwen en drank. In ‘De Bruiloft Der Zeven Zigeuners’ worstelt hoofdpersonage Branko Markovitsj met alle drie. Soms halen ze het beste in hem naar boven, soms het allerslechtste. Dat laatste is het geval in het eerste hoofdstuk, waarin Markovitsj dagenlang in een constante staat van dronkenschap verkeert om zijn verdriet over de zoveelste verloren liefde te begraven. In dit hoofdstuk herkenden wij een perfect Nummer Van De Dag-stuk. Den Doolaard beschrijft hoe krachtig muziek kan zijn; hoe het je stemming kan beïnvloeden en hoe het van een aardige man een agressief monster kan maken – en natuurlijk andersom. Dit alles uiteraard aan de hand van één (Servisch) lied: ‘Koliko Te Volim, Ne Voli Te Niko’. In onderstaande versie, door Ivana Pandurovic, mist helaas de lyrisch beschreven tamboerijn, maar het verdriet van Branko Markovitsj is ook in moderne uitvoeringen van het volksnummer duidelijk voelbaar.

Ivana Pandurovic – Koliko te volim, ne voli te niko!!

De primas, Goze, kende Branko als een klant van vroeger die bijna elke avond een bijzonder lied wilde horen en daarvoor telkens tien of twintig dinar opgooide. Twee jaar lang had hij een paar maal per week een blonde vrouw zien binnenkomen, gevolgd door Branko en meestal een stoet andere mannen. Nu kwam hij langzaam over de drempel heen en liep zonder een blik en een groet, wat hij vroeger nimmer verzuimde, naar een tafeltje achterin de zaal, waaraan nog twee stoelen leeg waren. Goze stiet de zangeres aan die hem met het gespannen vel van de tamboerijn een rinkelende klap op het hoofd gaf en zei haastig: ‘Zie je dat? Onze Markovitsj is alleen!’

‘Weet je dan niet dat ze van hem weg is?’ antwoordde Voeka, en toen hij zijn schouders ophaalde: ‘Wacht maar even, dan zullen we wel zien. Vooruit! Speel “Koliko te volim…”‘

Het orkest was klaar met de snelle kolo die het voorspel van elk lief vormt. Gozes strijkstok gleed weer omhoog, de cello baste mee en de witte hamertjes van de xylofonist begonnen wattenzacht over de dikke snaren te dansen.[1] Voeka zette in:

Koliko te volim ne voli te niko.
Koliko te ljubim, ne ljubi te niko.

Zo bemind als ik heeft je nog niemand.
Zo omhelsd als ik heeft je nog niemand.

De Bruiloft Der Zeven ZigeunersToen de kelner zich over hem heenboog had Branko met een haastige blik achterom een liter rode wijn besteld. Ook de kelner kende hem van vroeger en vroeg: ‘Met hoeveel glazen? En wil mijnheer niet een ander tafeltje hebben? De mensen hiernaast gaan dadelijk weg; dan kunt u met uw gezelschap daar gaan zitten…’

‘Doe wat je gevraagd wordt,’ zei Branko stroef. De kelner schrok van de barse uitdrukking achter zijn ogen, die hol geworden schenen, zodat al het harde en bittere dat zich bij alle goedmoedige mensen diep achterin verborgen houdt opeens bloot kwam. Vanuit de klapdeur naar de keuken keek hij nieuwsgierig om en nu zag hij ook de vouw opzij van Markovitsj’ neus, veel dieper dan vroeger, alsof hij dagenlang de lippen op elkaar geperst had, in een poging een of ander verdriet te bedwingen. Markovitsj’ ogen keken nu weer dof maar tegelijk onrustig, alsof hij werktuigelijk de zaal rondzocht naar iemand die hij zeker wist toch niet te zullen vinden.

Ovako te nikad nisu još voleli,

Zulke kussen heeft niemand op je lippen geprangd,

zong Voeka en toen, met een kwaadaardig gerinkel van de tamboerijn, dat pas regels later hoorde te komen,

Ovako te tobom još nisu žudeli,

Zoals ik heeft niemand ooit naar je verlangd,

uitdagend schreeuwend tegen de bedoeling van de verlangende en smachtende woorden in. Branko keek haar aan en ook zij schrok van zijn ogen, bedroefd en dreigend tegelijk. Maar terwijl haar vingers de tamboerijn betokkelden boog zij zich naar Goze en fluisterde: ‘Kijk eens naar hem! Zie je wel, dat ik gelijk heb?’ Ook in de wilde Balkan is het onbeleefd om midden onder een lied dat iedereen klaarblijkelijk mooi vindt op te staan en dwars door een overvolle zaal te schreeuwen, maar voor Branko waren verdriet en woede twee tonen, de ene zacht, de andere hard, uit dezelfde snaar. Hij stond op, niet snel en driftig maar langzaam, met de linkervuist op zijn heup en de rechter rond de leuning van de stoel geklemd die scheef achter hem kwam te staan, zodat zij meteen de betekenis van een wapen kreeg, gereed tot slaan en werpen.

‘Goze!’ riep hij, ‘Goze!’ Zijn stem was even metaalhard als die van de zangeres, een stem die gewend is te overschreeuwen en die niet wacht op het zwijgen van anderen. Goze stiet Voeka aan, stapte van het podium af en schuifelde al spelend tussen de twee stoelen door. Dwars door de walm van sigaretten en een tweede onzichtbare, maar des te sterkere zinsverwarring, bestaande uit het verbaasde stemmengerucht dat van alle richtingen tegelijk een onregelmatige zwerm pijlen op hem toeschoot terwijl de muziek er zich in helle serpentines doorheenslingerde, zag hij het sombere, pokdalige hoofd van de zigeuner naar zich toezweven, één dikke zwarte wenkbrauw kwaadaardig opgetrokken, terwijl de mondhoek daaronder sarcastisch was weggekruld, zodat de hoekige wangvouw, die op een pas genezen wond leek, een wanstaltige kerf trok van de dikke neus naar de kwabbige kin. En toen dit hoofd hem van vlak bij de spot bijna in het gezicht spuwde, zei Gozes stem, zo slepend, beleefd en opdringerig tegelijk als alleen een zigeuner het kan: ‘Wat wenst gij, heer? Speel ik vandaag niet naar uw zin? Ik speel dit lied niet slechter dan alle andere keren dat…’

Hij maakte de zin niet af, want Branko’s vuist gleed omlaag langs de spijlen van de stoelleuning en hij schreeuwde de zigeuner die al spelend achteruitweek toe: ‘Speel wat je wilt, boef, maar speel geen Servische liederen op Hongaarse muziek!’

Ovo cveće cvetaće za tebe!

Deze bloemen, zij bloeien voor jou!

zong Voeka zachter, omdat ze bang begon te worden vanwege haar gelukte toeleg. Maar de harmonica, de xylofoon, de cello en een tweede viool speelden door en de zigeuner, hierdoor moedig geworden, kwam weer een halve stap vooruit en fluisterde heet en treiterend: ‘Maar vroeger had u toch zeker niets tegen Hongaarse muziek?’

Branko wist dat hij zich belachelijk maakte. Hij wist dat hij enkel maar de zigeuner tien dinar in de zak hoefde te stoppen om de viool onmiddellijk in een andere melodie te horen overglijden. Maar hij wilde ten overstaan van iedereen zijn donker verdriet niet met een klein blinkend geldstuk afkopen; hij wilde zich wreken op zijn opgekropt leed dat zich niet liet wegdrinken, door een zigeuner neer te slaan die ten overstaan van een hele zaal zijn verdriet als koopwaar misbruikt had in de hoop er geld voor in ruil te krijgen. Hij wist hoe hij zich hierdoor blootgaf, want binnen een kwartier zou de hele zaal de reden rondfluisteren van zijn plotselinge opstuiven, en bovendien was het geen heldendaad een altijd laffe zigeuner, die bovendien nog een viool te redden heeft, met een stoel neer te meppen. Maar de drank van talloze nachten prikkelde hem tot in zijn vingertoppen en terwijl hij zich duidelijk hoorde denken: ‘Ik doe het niet,’ rees de stoel vast in zijn vuist geklemd toch als vanzelf de hoogte in. Drie jonge mannen aan een tafeltje voor hem hielden, in de hoop op een vechtpartij, de zigeuner die al spelend terugvluchten wilde van achteren vast en duwden hem zelfs lachend op Branko toe en zij morden van teleurstelling, toen Branko ineens de stoel zachtjes neerzette en kalm ging zitten. Midden in de regel

Ali moja ljubav živoće za tebe

Maar zijn liefde zal voor jou leven

was Voeka zonder enige waarschuwing overgesprongen op een moderne schlager.

  1. [1]Een kolo is een volksdans die in veel Balkanlanden wordt gedanst.

Tags: , , , , , , , , , ,

-->