nummer van 02/08/2014 door

‘Frankenstein’ van The Edgar Winter Group

Huilen omdat ik naast een albino moest zitten

Edgar Winter Group – Frankenstein 1973

Muziek heeft, meer dan andere kunstvormen, een rare verhouding met tekst. Bij dans en beeldende kunst speelt tekst in veel gevallen helemaal geen rol, terwijl films en boeken in één klap ongeloofwaardig worden door een slechte dialoog. Muziek heeft hier minder last van. Een slechte songtekst kan een afknapper zijn, maar ik geloof niet dat veel mensen hier star genoeg in zijn om bij het horen van de perfecte groove van James Browns ‘Sex Machine’ stoïcijns in hun stoel te blijven zitten. Op zijn minst bewegen je heupen wel een beetje. Ik sta meestal op en doe een houterig dansje waarbij ik de white man overbite nog net kan onderdrukken.

Een gezongen familieroman

Edgar Winters virtuoze ‘Frankenstein’ bewijst dat muziek vaak helemaal geen tekst nodig heeft om te kunnen boeien. Het tegendeel besef je juist weer wanneer je luistert naar Sun Kil MoonBenji, een van mijn favoriete albums van dit jaar. Muzikaal zijn de liedjes uitgekleed, kaal, repetitief, misschien zelfs een beetje saai, maar het album leest als een familieroman die zich afspeelt op het rauwe platteland van Amerika, waarbij het zanger Mark Kozelek is gelukt om zijn familieleden als personages op te voeren die niet geïsoleerd blijven in de afzonderlijke liedjes, maar juist meer diepte krijgen wanneer je de plaat in zijn geheel luistert. Het bizarre ongeluk dat nichtje ‘Carissa’ uit de openingstrack overkwam, wordt alleen maar vreemder als je in ‘Truck Driver’ hoort dat zijn oom enkele jaren eerder hetzelfde lot was beschoren. En dan zijn er nog de prachtige liefdesverklaringen aan Kozeleks ouders, in ‘I Can’t Live Without My Mother’s Love’ en ‘I Love My Dad’. Het is een album dat alleen bestaat bij de gratie van tekst, ik geniet er minstens zoveel van als van James Brown en Edgar Winter. Die laatste herontdekte ik nota bene dankzij Sun Kil Moon en zijn lofzang op zijn vader. Wanneer Kozelek je met ieder nummer verder in de wereld van zijn fascinerende familie heeft getrokken, trakteert hij je plotseling op de volgende ontroerende anekdote:

When I was five I came home from kindergarten crying cause they sat me next to an albino
My dad said son everyone’s different, you gotta love em all equally
And then my dad sat me down
He said you gotta love all people, pink, red, black, or brown
And then just after dinner
He played me the album They Only Come Out At Night by Edgar Winter

I Love My Dad – Sun Kil Moon with lyrics

Edgar WinterNeergedaald om te rocken

Als iemand die vroeger gretig de danklijsten achterin cd-boekjes afstruinde om alsmaar meer artiesten te ontdekken, kun je mij in een songtekst nauwelijks een groter kado geven dan het noemen van een boeiende collega-muzikant. Sun Kil Moon stelt hierin niet teleur: na het bekijken van de albumhoes van Edgar Winters They Only Come Out At Night kon ik mij geen beter voorbeeld voorstellen om een vijfjarig jongetje te overtuigen dat albino’s allesbehalve eng zijn, en in het geval van Edgar Winter zelfs buitenaards cool. Met zijn wapperende witte haren, zijn make-up en zijn kitscherige ketting staat Winter op de hoes als een soort god uit een sprookje, een opperwezen dat is neergedaald om te rocken. En dan die titel. They Only Come Out At Night. They. De anderen. Met een foto en een titel, beeld en tekst, wordt zijn hele verschijning in je gezicht geduwd op een manier die bloednieuwsgierig maakt naar de muziek en het verhaal erachter.

De anderen

Edgar en zijn onlangs overleden broer Johnny Winter waren als kinderen vaak de anderen. Beiden werden ze gepest om hun afwijkende uiterlijk, waarbij Johnny het extra zwaar kreeg vanwege zijn schele ogen. Vluchten in de muziek was voor hun de enige mogelijkheid, zoals Edgar vertelde in een interview met Classic Rock Revisited:

Looking different, kids are always going to make fun of you. You can be too short, too skinny, too fat or whatever. I think that we naturally gravitated towards music because we couldn’t see well enough to play sports. I think that was part of our identity. I think that starting out there was a lot of negativity surrounding it. I don’t know if you remember Ted Mack’s Original Amateur Hour or not. Johnny and I went up to audition for that. We had won every contest that we had ever entered and we thought we would be accepted and go on and win it. Our parents were told that they just didn’t think we were the image that their audience wanted to see. We could only assume that it was based on the fact that we were albinos.

Virtuoos

Edgar & Johnny Winter

Edgar & Johnny Winter

Wanneer ze gitaar speelden hadden ze alleen elkaar en hun lawaai nodig. Prettige, ongecompliceerde momenten waar de broers in hun jonge jaren steeds vaker op terugvielen. Tot aan Johnny’s dood bleven de twee beste vrienden en bestempelde Edgar zijn grotere broer als zijn all time musical hero. Die vele uren musiceren betaalden zich uit: Johnny werd een wereldberoemde bluesgitarist en Edgar groeide uit tot een virtuoos die even makkelijk gitaar speelt als saxofoon, piano, drums, marimba en synthesizer. In de beginjaren speelden ze samen al het instrumentale ‘Frankenstein’, een swingend rocknummer met een monsterriff die de songtitel meer dan rechtvaardigt:

Johnny would play the first part of his set with his blues trio and then he would say, “I’m going to bring out my little brother, Edgar.” Nobody even knew I existed, at that time. I would walk on and people would say, “Wow, there’s two of them!” I had come up with that riff because I thought it would be a great instrumental showcase. It sounds like something you’d play to bring someone on with. I played Hammond B3, alto sax and we had two sets of drums on stage and I’d play a duel drum solo with Johnny’s drummer, Red Turner. The song was then forgotten for years after that.

Pas toen Edgar Winter met The Edgar Winter Group zijn eigen supergroep formeerde , kwam ‘Frankenstein’ weer bovendrijven. Het werd de finale van ‘They Only Come Out At Night’, de laatste donderslag van een plaat dat de afbeelding van de witharige rockgod op haar hoes met ieder nummer meer waarmaakt. Die god zelf horen we in ‘Frankenstein’ saxofoon, drums en een om zijn nek gehangen synthesizer spelen, met een attitude waarvan de mond van de vijfjarige Mark Kozelek moet zijn opengevallen. Nooit meer zou hij huilen in de klas als hij naast een albino moest zitten. Zijn vaders opvoedkundige kwaliteiten hebben de lofzang van ‘I Love My Dad’ dik verdiend.

Tags: , , , , , ,

-->