nummer van 26/07/2014 door

‘Revenge’ van Black Flag

Het logo dat fuck you zegt

Black Flag – Revenge

“Ik hoop dat je niet zo metselt.”

Benny kijkt me aan, een beetje uitdagend. Tussen de haren van zijn baard denk ik een glimlach te herkennen, maar misschien is het een fata morgana. Hij fronst nogmaals richting de tekening op het verfrommelde papiertje dat ik hem net heb aangereikt. Vier zwarte balken, de eerste en derde staan wat hoger dan de andere twee. Benny ziet er niks in.

Black Flag LogoIk ben een beetje teleurgesteld. Benny, baas van de enige tattoo shop in het Achterhoekse dorp waar ik opgroeide, überhaupt de enige volledig ondergetatoeëerde man hier, de enige die op zijn leeftijd nog met een driekwartbroek-met-hondenketting-van-lus-naar-portemonnee loopt, die Benny, die herkent het logo van mijn favoriete band niet. Het logo waarvoor ik geld heb gespaard, het logo waarvoor ik ouders heb overtuigd. De Black Flag-balken, het meest iconische beeld dat een punkband of misschien wel elk ander soort band heeft voortgebracht. Benny ziet vier zwarte bakstenen en hoopt dat ik niet zo metsel, ik zie een prachtig uitgeklede voorstelling van een wapperende, zwarte vlag. Een logo dat de nihilistische visie van de band zelfs in haar vorm uitdraagt. Johnny Depp liet de vlag op de wijsvinger van zijn rechterhand tatoeëren, Dave Grohl probeerde ‘m op zijn twaalfde zelf op zijn arm te zetten, maar kwam door de pijn niet verder dan de derde balk.

Het was kunstenaar Raymond Pettibon, de broer van Black Flag-gitarist Greg Ginn, die in 1977 met het logo én de bandnaam kwam. Veel punker kon het niet: de zwarte vlag van de anarchisten, de zwarte vlag van de piraten en het tegenovergestelde van de witte vlag van overgave werden in één sterk beeld verenigd. En ook is het sinds 1977 geen artiest meer gelukt een logo te ontwerpen waar op zoveel manieren “fuck you, ik doe wat ik zelf wil” van afstraalt. Toen Black Flag na hun eerste shows in Los Angeles snel aan populariteit won, was geen muur of viaduct in de stad meer veilig voor de spuitbussen van enthousiaste fans. De politie dacht dat er een nieuwe bende aan het werk was. In zekere zin was dat ook zo. Black Flag-shows werden steeds vaker in de gaten gehouden door de LAPD en op een avond kwam het zelfs zo ver dat de band een nacht in de cel doorbrachten, een incident waar hun toenmalige zanger Ron Reyes met ‘Revenge’ op gepaste wijze aan terugdacht. Fuck you. “We’re tired of being screwed.”

Dit alles probeer ik Benny maar niet uit te leggen. Of nee, ik doe toch een kleine poging.

“Maar u houdt toch wel van punk?”
“Waarom denk je dat?” Benny beantwoordt vragen graag met wedervragen.
“Nou ja…”
“De tatoeages hè? Iedereen denkt er maar altijd wat van. Nee jongen, we draaien hier in de shop gewoon Hazes.”

Op de achtergrond klinkt inderdaad ‘Bloed, Zweet en Tranen’, zijn laatste hit. Ik heb daar minder mee dan Benny met mijn vier balken, ik weet het zeker. Wanneer ik plaatsneem in de tatoeagestoel bedenkt hij zich. De naald zoemt al.

“Punk dus?”
“Eh, ja, dit is het logo van Black Flag.”
“Ik heb alleen een cd van de Toy Dolls. Die heb ik een keer gezien in Enschede. Mooi man! Wacht, ik zoek hem even op, het is alweer een tijdje geleden.”

Ik houd niet van de Toy Dolls en hun pretpunk, en bovendien lijkt het polonaiseritme van ‘Nellie The Elephant’ me niet echt geschikt voor een tatoeagesessie. Ik krijg visioenen van een Benny die met een onzichtbaar persoon inhaakt en wild van links naar rechts begint te walsen terwijl hij mijn been voorgoed met zwarte inkt verminkt. Een paar minuten later luisteren we dan ook echt naar ‘Nellie The Elephant’. Ik houd mijn adem in. Benny buldert de opmaat naar het refrein mee, een van laag naar hoog gezongen “whoooooooooooooooooooo.” Maar verder houdt hij zich godzijdank rustig. Het tatoeëren doet niet echt pijn, het is vooral irritant. Alsof iemand constant met zijn nagel op dezelfde plek in je huid zit te krabben. Tijdens de sessie vraagt Benny me nog of ik wel echt uit de Achterhoek kom, omdat ik niet plat praat. Daarna zeggen we helemaal niets meer.

Wanneer de naald is uitgezoemd verbindt Benny mijn been met doorzichtig plastic. Ik moet het een paar dagen laten zitten. Ik ben trots op mijn tatoeage die zegt “fuck you, ik doe wat ik zelf wil”, maar ik heb me het afgelopen uur laten kennen als iemand die bij de eerste ongemakkelijke situatie al ineenkrimpt. Mijn stoere coming-of-age-moment, mijn eerste tatoeage, is een martelgang aan pijnlijke stiltes geweest. Ben ik wel wel zo fuck you?

Benny vertelt dat ik binnen twee weken moet terugkomen als er iets mis is met mijn tatoeage. Kom ik later, dan kan ik een middelvinger krijgen. Na drie dagen ontdek ik inderdaad dat er onderaan de derde balk een gaatje zit, een stukje huidskleur van een milimeter of drie. Ik ga niet meer terug. Ik overweeg het nog een week, maar de weerzin om opnieuw in die stoel te zitten en niks te bespreken te hebben is te groot. Tien jaar later zit dat gat nog steeds op mijn been. Een eeuwige herinnering aan het feit dat een persoon vandaag iets kan doen en dat morgen niet meer kan onderschrijven. Dat iets op het ene moment belangrijk genoeg lijkt om in je lichaam te kerven, terwijl je vlak daarna alweer met andere dingen bezig bent.

Don’t tell me about tomorrow
Don’t tell me what I’ll get
I can’t think of progress

Tags: , , , , , ,

-->