nummer van 22/04/2014 door

‘With Light And With Love’ van Woods

Al dat experimenteren gaat ook een keer vervelen

Woods – With Light And With Love

Op de oude platen van Woods leek het er soms wel op of de band uit Brooklyn het er om deed. Zat je net lekker in een sussend folkliedje, kwam er weer een gitaar met een vreemd effect in een nog idiotere toonladder doorheen. De basis voor mooie liedjes lag er steeds, maar het leek alsof zanger-gitarist Jeremy Earl daar het liefst zo snel mogelijk met modderige schoenen overheen liep. De schoonheid mocht best een beetje doorschemeren, maar het mocht nooit te smetteloos zijn. Op de nieuwe plaat With Love And With Light gaan de schoenen echter netjes bij de deur uit.

Niet dat het daardoor ineens een saaie bedoening is geworden, want binnen de lijntjes kleuren is nog steeds niet Woods sterkste punt. Maar in plaats van spontane invallen op band te slingeren, is de aanpak op hun achtste studioplaat opvallend bedachtzaam. Is dat volwassen worden of eindelijk rust vinden? Volgens Earl was het vooral omdat al dat geëxperimenteer op den duur ook maar saai wordt, zo vertelde hij onlangs in een interview op Noisey. Het uitwerken van details, alles tot in de puntjes beheersen en controleren voor je de studio ingaat, dat was de uitdaging deze keer.

Blauwdrukken van Wilco

Het risico dat je daarmee loopt is natuurlijk dat de magie van de vorige platen doodslaat. Alhoewel, dat waren nou ook niet echt enorm daverende successen, dus wat dat betreft viel er ook niet veel te verliezen. En dat lef loont, zo blijkt op With Love And With Light. Op het eerste gehoor nog steeds een behoorlijk bonte collectie van invloeden uit americana, folk en indie, maar dit keer wel op een manier die met elk nummer steeds meer prijsgeeft van een goed uitgebalanceerde constructie. Alsof de band in aanloop naar hun nieuwe plaat onverwachts op de geheime blauwdrukken van Wilco is gestuit.

Woods - With Light And With Love

Woods – With Light And With Love

Dat de wilde haren nog niet helemaal verloren zijn is het horen in het titelnummer van de plaat. Met een lengte van negen minuten en zeven seconden al een gewaagde keuze als derde nummer op het album. Het eigenwijze gitaartje in de intro is even een venijnig antwoord op de gloedvolle harmonieën die je tijdens de eerste twee nummers hebben verleid om verder te luisteren. Zelfs als Earl aan zijn eerste couplet begint, moppert dat gitaartje nog even door. Het tegendraadse ritme staat aan zijn kant, maar de fraaie akkoorden van de akoestische gitaar proberen vrede te sluiten.

De ontsporing dreigt

Die lijkt even later te komen, als de instrumenten de structuren van het nummer rustig maar effectief verschuiven. Van Earl horen we alleen een hoog “oehoehoe”, alsof hij zich even afzijdig wil houden terwijl de instrumenten het onderling uitvechten. Ruim negen minuten lang blijft het zo een spannend schermduel tussen pure schoonheid enerzijds en het donkere avontuur aan de andere kant. Heel even lijkt het te ontsporen als we halverwege het nummer ruim een minuut lang gitaarsolo’s tegen elkaar aan horen schuren, maar in de rust die daarna volgt herpakt het evenwicht zich weer.

De gitaarsolo’s komen terug, maar werken nu duidelijker naar een climax toe. Een beetje olie op het vuur, het langzaam laten doven en vervolgens een nog grotere plens olie erover heen, om het geheel vervolgens gecontroleerd uit te laten branden. Earl keert aan het einde nog even zingend terug, maar eigenlijk is dat alleen maar om tevreden over de rokende puinhopen te staren. De puinhopen die hij dit keer volledig gecontroleerd kon scheppen.

Tags: , , , ,

-->