nummer van 29/12/2013 door Atze de Vrieze

‘Op één na’ van Drs. P.

3voor12 is een Nederlands instituut en de naam van onze gastblogger vandaag is de afgelopen jaren synoniem geworden met het muziekplatform van de VPRO. Je zou misschien een alternatieve band verwachten van een 3v00r12/man, maar Atze komt met een verrassend nummer van eigen bodem.

Drs P – Op 1 na – 1995

Pagina 16, links onderaan. De foto van de burgemeester, zijn ambtsketting, een gigantische bos bloemen. Ergens half achter het boeket schuilt de held van het verhaal: de oudste inwoner van het dorp. Bekend beeld? Ik stelde me altijd voor wat er aan die foto vooraf gegaan was. De trotse dochter van de oude man die de deur open deed voor de burgervader, zelf ook allang met pensioen en niet meer zo goed ter been. De kleindochter, druk in de weer met kopjes koffie en moccagebakjes. De zorg of opa – zijn mooiste pak aan – niet net op het moment van glorie in slaap zal vallen. Zo hoort het niet. De oudste inwoner van het dorp, daar hoor je je over te verbazen. 102, en nog zo vitaal. Ongelofelijk.

Ik zeg het maar eerlijk, ik heb weinig met bejaarden. Vroeger, toen ik nog een kleine jongen was, vond ik bejaarden naarder dan honden. En iedereen die mij kent, weet dat ik gerust de straat oversteek als zo’n vies beest aan me dreigt te snuffelen. Maar bejaarden, hun geur, hun schrale koekjes, hun jurken. De vreugdeloosheid, het idee dat het mooiste achter je ligt, dat er niets meer bij komt en één voor één dingen verdwijnen, het lijdzame wachten op de hereniging met verloren geliefden. Als we daar überhaupt op mogen hopen.

Jarenlang heb ik oude van dagen naar het voetbal gebracht. Met een busje van Overvecht naar Galgenwaard, eens in de twee weken. Ik hield van die mensen. Van sommigen. Meneer Weber bijvoorbeeld, zelf nog een voetballer geweest bij DOS, de voorloper van FC Utrecht. Het was een mooie vent om te zien. Ook al zat ie dan wat hulpeloos onder zijn dekentje, een beetje gebogen, hij had een markante kop. Af en toe kwam iemand hem in het stadion een hand geven. Dan kwamen de verhalen. De witte tornado noemden ze hem vroeger, vanwege zijn snelheid en zijn blonde lokken. Iedereen kon hij passeren, als hij een goede dag had. Iedereen. Maar als het moest, was ie ook niet te beroerd een kaart te pakken. Soms kwam er dan een glimlach op zijn gezicht. Heel soms.

Zo oud was meneer Weber niet, maar het ging niet goed met hem. Ik haalde hem op de meest angstaanjagende afdeling van het verzorgingstehuis, waar het altijd naar platgekookte bloemkool en geprakt draadjesvlees rook. Een nare geur die niets met eten te maken heeft, en die enkel bedoeld leek om nog naardere geurtjes te verhullen. In de hoek zat een vrouw die me de rillingen gaf. Ze schreeuwde voortdurend dingen tegen iedereen en niemand. Het waren hartenkreten, vervloekingen en complete nonsens, en iedereen negeerde het. Je kunt je voorstellen dat de komst van de burgemeester in zo’n setting nog best een verzetje is. Iedereen even recht in zijn stoel, de familie erbij, luxe gebak, de fotograaf van de krant.

Foto: Joost van den Broek

In ‘Op Eén Na’ schetst Drs. P, misschien wel de beroemdste bejaarde uit de Nederlandse muziek, het tafereel van de oudste inwoner van het dorp. Opa Van der Stok, zo zingt hij, werd 102. Ruim honderd jaar, je zag het er niet aan af. Hij werd bijzonder aardig toegesproken. Maar met de drukte viel het nog wel mee, want Opa Bok in hetzelfde dorp werd 103. De subtiliteit waarmee de Drs. het rijm – voor hem heilig! – doorbreekt (op ‘mee’ rijmt immers ‘102’!) is zo mooi en veelzeggend. Dan ben je 102, en voor dat tragische ritueel word je nog afgetroefd. Er is iemand ouder. Zouden ze elkaar kennen, opa Van der Stok en opa Bok? Ze zouden bij elkaar in de klas gezeten kunnen hebben, driekwart eeuw geleden. Misschien is opa Bok er wel eens met het meisje van opa Van der Stok vandoor gegaan. Of nog erger: met zijn kleine zusje. Misschien zijn ze elkaar jaren uit het oog verloren en komen ze nu weer op elkaars pad omdat ze als enige overgebleven zijn.

Drs. P is van een vorige generatie. Toen hij doorbrak was hij al op leeftijd, en van de rock ’n roll – die opkwam in dezelfde tijd dat hij debuteerde – moest hij niets hebben. Ik vroeg hem er eens naar. Hij antwoordde: “Ik heb er nooit met aandacht – laat staan met voldoening – naar geluisterd. Ik vernam het natuurlijk wel, het was niet te stuiten, maar het beviel mij volstrekt niet. Ik vond het industrieel en stomvervelend. De banaliteit van de melodieën, die dwangmatige maat, dat bom bom bom, dat volstrekt op effect gebaseerde gestamp. Ik vind het nog altijd stomvervelend, of het nu een wereldberoemd ensemble is of niet, het blijft armzalig, totaal onbeschaafd.”

De generatiekloof in een paar ronkende volzinnen. Waar Drs. P niets over zegt: vanaf de rock ’n roll ging populaire muziek ineens alleen maar over de jeugd. Jonge mensen op het podium, jonge mensen als fans, popmuziek was jeugdcultuur. De oude garde was niet alleen oud, ze zongen soms ook zonder gene over oude mensen, zoals de jonge sterren dat nooit zouden doen. Je kunt er een hele verzameling van aanleggen, songs over de romantiek van het verval. Neem bijvoorbeeld de Jordanese tranentrekker ‘Kort Is De Jeugd van Tante Leen’, waarin de beperkte houdbaarheid onderstreept wordt in een dodelijke drietrapsraket: “Kort is de jeugd, kort is de deugd, kort is het uur van geluk.”

Johnny Jordaan

Ze konden er wat van, daar in de Jordaan. Johnny Jordaan bijvoorbeeld sloot zijn carrière af met een prachtig afscheidslied over ouderdom. “Ik heb in stilte vaak gebeden, dat ik nog even door mocht gaan”, mijmert hij. “Toch gaat het doek nou naar beneden, en blijft voor mij omlaag voortaan. Wat waren er veel mooie dingen. Ik heb een fijne tijd gehad. Dat ik voor u mijn lied mocht zingen, en in uw hart een plaats bezat. Bedankt lieve mensen, helaas, ik moet gaan.” Het lijdt geen twijfel: het ligt niet aan Johnny, die had dolgraag door willen gaan, maar grotere krachten dwingen hem ertoe. Het lot. Het aanstormende einde.

Willy Alberti

De Vaderlandse liedgeschiedenis kent liedjes over samen oud worden (‘Zilverdraden Tussen ’t Goud’, door velen uitgevoerd), over mooi oud worden (Annie de Reuver’s ‘Oud Van Jaren Jong Van Hart’), liedjes vol mijmerende nostalgie (‘Weet Je Nog Wel Oudje’ van Louis Davids). Maar de ware koning van de ouderdomssmart is Willy Alberti, de man die ons klassieker ‘De Glimlach Van Een Kind’ schonk. Nog mooier is ‘En Toch’, over een man die de dag bereikt heeft waarvan men zegt ‘de tijd die rijpt’. En toch, en toch wil hij dat niet accepteren. Willy Alberti, een statige heer in pak. De mensen zeggen hem: “laat de jeugd toch denken dat het jong zijn alles heeft. Het duurt jaren voor de goede wijn zijn volle rijkdom geeft.” Hij weet wel beter: wat eens zo veelbelovend leek, leek als de roos die na een week heel onverwacht aan praal en pracht en geur niet meer vermocht. Dus toch.

Tante Leen

Er is in deze liedjes geen definitie van ‘oud’. Wat is dat, oud? Wat ze vroeger oud noemden, is dat nu helemaal niet meer. Als wij straks oud zijn, hebben we op zijn minst iPads en Spotify. En Whatsapp. Of wat er in de tussentijd allemaal niet uitgevonden zal worden. Nog vijftig jaar te gaan, dat is een geruststellende gedachte. En zelfs nu schijnen er al bejaarden te zijn die gewoon bij de pinken zijn. Zegt men. Ik geloof het niet, maar men zegt het. Ik luister liever naar Tante Leen, die predikt: dagen, maanden, jaren, het spel gaat voort, zonder zorgen, zonder al te veel omkijken. En dan, vroeg of laat, slaat het ineens toe. Grijp die korte tijd, want de werkelijkheid, die slaat al het mooie weer stuk.

Juist omdat bejaarden me zo’n angst aanjagen, houd ik van deze liedjes. Oud worden, het is net zo’n nachtmerrie als je geliefde verliezen, je kind zien sterven, bedrogen worden door je beste vriend, of al die andere dramatische smartlaponderwerpen. Van dat soort sentiment is Drs. P doorgaans vies. Hij schreef wel eens een tranentrekker, maar dan als een soort serieuze parodie. Dat mooie liedje over oud worden kent juist een kurkdroog, zwart-romantisch sentiment. In het tweede couplet wordt opa Van der Stok 103. Het was wel sneu om vast te moeten stellen, dat zijn verstand het langzaamaan begaf. Hij zat maar de bezoekers na te tellen. Het was trouwens niet zo’n grote reünie, want hij was oud, maar opa Bok was 104. Hetzelfde rijmgrapje, dezelfde mokerslag voor de oude man. Hij zit daar maar, ziet de stoet misschien wel langs zijn raam trekken, op weg naar de echte held. De burgemeester met zijn gepoetste schoenen en zijn vlinderdasje, de reporter en de fotograaf. Daar zit hij, terwijl de klok onverbiddelijk verder tikt.

Opa Van der Stok haalt ook de 104, en hij wordt in de mooie stoel bijeen gedreven. Eindelijk gerechtigheid? De glorie die slechts een dorpsinwoner geniet? Wel, voor hem was deze feestdag maar een straf. Die mensen maakten allemaal zo’n leven, en foto’s, en bedoening en plezier. Hij was de held, want opa Bok lag in het graf.

Tags: , , , , , , , , , , ,

-->