nummer van 04/11/2013 door

‘Mind at the End of the Tether’ van Tackhead

Van disco naar rap tot industrial

Tackhead – Mind At The End Of The Tether

Je verwacht het waarschijnlijk niet, maar er loopt een kort lijntje tussen hiphoplegende Grandmaster Flash en industrial bands als Ministry en Nine Inch Nails. Nee, Flash heeft niet gescratcht op hun platen of iets dergelijks. De link moet je achter de schermen zoeken. We moeten terug naar het einde van de jaren zeventig. Ondernemer Sylvia Robinson zag haar platenmaatschappij All Platinum Records over de kop gaan, maar weigerde bij de pakken neer te blijven zitten. In de buitenwijken van New York was een nieuwe jongerencultuur ontstaan en daar wilde de ambitieuze ondernemer/producer een graantje van meepikken (dat verhaal deed Gijs hier al eerder uit de doeken). Met ‘Rapper’s Delight’ haalde ze haar gram. Sugar Hill Records was geboren en mede dankzij Sylvia Robinson zou hip hop aan de verovering van de wereld beginnen. In een tijd waarin de meesten onder ons niet verder komen dan The Roots en Kytemans Hip Hop Orkest als we het over rap met instrumenten hebben, kunnen we het ons misschien niet meer voorstellen, maar rap was in die beginjaren het terrein van bands, niet van dj’s. Gijs schreef over ‘Rapper’s Delight’: “De zeventienjarige bassist Chip Shearin had de twijfelachtige eer om voor 70 dollar een kwartier lang dezelfde baslijn te spelen, zonder ook maar één foutje te maken.” Shearin maakte deel uit van Positive Force, de band die de eerste raphit inspeelde, maar kort daarna op straat werd gezet. De opportunistische Robinson had haar zinnen gezet op het beste van het beste. Ze wilde Wood, Brass & Steel.

Sylvia Robinson, succesvol met een kwalijke reputatie.

Sylvia Robinson, succesvol met een kwalijke reputatie.

“Sylvia always kind of dug me and Skip”, zei bassist Doug Wimbish. WB&S had al eerder met Robinson samengewerkt tijdens de All Platinum-dagen, maar in tegenstelling tot de labelbaas, hielden de muzikanten hier minder goede herinneringen aan over. Het album dat ze voor Robinsons platenmaatschappij opgenomen hadden, was nooit uitgekomen. Bovendien was Sylvia de band nog aardig wat geld verschuldigd. Toen voormalig WB&S-drummer Harold Sargent ‘Rapper’s Delight’ in een club hoorde, herkende hij meteen de stempel van Robinson. Het leek de jongens tijd om eens langs het kantoor van Sylvia te gaan om hun duiten op te eisen.

Een ezel stoot zich…

Wood, Brass & Steel-leden Doug Wimbish en gitarist Skip McDonald lieten zich door de gewiekste Robinson ompraten. Samen met drummer Keith LeBlanc zouden ze de nieuwe huisband van Sugar Hill Records vormen. Dit ondanks eerdere voornemens om geen zaken meer te doen met een vrouw wier zakelijke reputatie op zijn zachtst gezegd kwalijk was. Maar de lokroep bleek te sterk. Er lag een karrevracht aan werk te wachten. Bovendien mocht Robinson dan geen al te beste zakenvrouw zijn, een goede producer was ze wel. In de daarop volgende jaren speelde de band de ene na de andere hit in. Toch liep het voor Sugar Hill Records fout. Aan twee van de grootste hits van het label hangt “een geurtje” (understatement). ‘Rapper’s Delight’ kopieerde schaamteloos ‘Good Times’ van Chic en ‘White Lines’ deed hetzelfde met ‘Cavern’ van Liquid Liquid. Chic-gitarist Nile Rodgers was zich bewust van het plagiaat en spande geen rechtszaak aan, maar de platenmaatschapij die ‘Cavern’ had uitgebracht deed dat wel. Het zou de nagel aan de doodskist van Sugar Hill Records zijn.[1]

Afrit industrie

Tegen de tijd dat Sugar Hill het faillissement aanvroeg, waren Wimbish, McDonald en LeBlanc al lang de deur uit. Met name de laatste had de nieuwste technologische ontwikkelingen ontdekt. “These drum machines are kicking my ass”, zei hij. Maar in plaat van gefrustreerd de strijd aan te gaan, omarmde hij de mogelijkheden die drummachines en samplers hem boden en nam hij ‘No Sell Out’ op, een reeks Malcolm X-quotes voorzien van een snoeiharde electro beat.

Malcolm X-No Sell Out

Hierna nam Leblanc, samen Wimbish en McDonald ‘Unity’ van James Brown en Afrika Bambaataa op. Hierdoor werden ze ontdekt door de Engelse producer Adrian Sherwood, die LeBlanc meteen naar de UK haalde. Deze trans-Atlantische samenwerking betekende niet alleen het begin van een nieuwe band, maar ook van een nieuw geluid. Funk en disco waren geëvolueerd in rap. Rap ontwikkelde zich verder, maar had nu ook een offspring gekregen; ongemeen brutale electrofunk.

Tackhead in Londen (vlnr): Leblanc, Wimbish, McDonald en zanger Bernard Fowler, die later aan de line-up toegevoegd werd.

Tackhead in Londen (vlnr): Leblanc, Wimbish, McDonald en zanger Bernard Fowler, die later aan de line-up toegevoegd werd.

Het drietal werkte midden jaren zeventig onder de naam Fats Comet als huisband bij Tommy Boy Records en maakte optimaal misbruik van de tijd in de studio. “We would cut the project for whoever real quick, and then we would be in the studio the rest of the time with ourselves. […] we’d cut our own shit. Then we’d take the tape out with us and go to London.” Het resultaat van deze opnames werd Tackhead Tape Time, een album dat misschien wel als eerste industrial album beschouwd kan worden, maar dat in ieder geval de nodige hoofden deed draaien. Sherwood en LeBlanc waren plots gewilde producers en waren onder meer verantwoordelijk voor Ministry’s Twitch en Pretty Hate Machine, het debuutalbum van Nine Inch Nails.

  1. [1]Bassist Doug Wimbish noemde de Sugar Hill-huisband gekscherend “The Human Sampler”.

Tags: , , , , , , ,

-->