nummer van 07/08/2013 door

‘Ne Prepoznajem Ga’ van Josipa Lisac

Brief uit Ohrid, Macedonië

JOSIPA LISAC – Ne prepoznajem ga (live 2001.)

Ohrid, zondagmiddag

Eindelijk wakker. Toen A. en ik vanochtend om half zes de Jazz Inn uitgestrompeld kwamen, was het daglicht al op volle, verblindende sterkte, een moeilijk moment voor de tere oogjes van onze mede-nachtdieren die het grootste deel van de nacht opgesloten hadden gezeten in de stikdonkere kroeg. Dankzij het ontbreken van ramen waren zij in staat geweest om compleet verstoken van enig tijdsbesef urenlang te dansen, drinken, roken, betasten, kussen, vechten, op tafels springen, schreeuwen, morsen, over de wc-bril plassen, uitglijden, opstaan, lachen, omhelzen, en dan alles opnieuw, in eindeloze cirkels tot de neusgaten van alle aanwezigen volgepropt waren met de geur van sigaretten, alcohol, urine en zweet. Naarmate de nacht gevorderd had was de jazzmuziek steeds ruiger geworden totdat je het geen jazzmuziek meer kon noemen; van Buddy Rich was men via opzwepende Motown-soul en Jimi Hendrix uiteindelijk aanbeland bij ordinaire stampmuziek uit de Balkan. De jongens, elkaar stevig omarmend, klosten er op los en de ruimte vulde zich om beurten met de harde bonk van hun schoenzolen en het sappige smakgeluid dat deze zelfde zolen maakten wanneer zij weer moeizaam loskwamen van de plakkerige, bruine laag vuiligheid die de vloer bedekte. De meisjes, dankzij de kleine oppervlakte van hun flinterdunne naaldhakken ongehinderd door de stroopvloer, dansten wild maar zonder hun onmiskenbare vrouwelijkheid te verliezen, zich altijd bewust blijvend van de mate waarmee zij hun omhoogvliegende zomerrokjes toestonden hun bovenbenen bloot te stellen.

De taferelen deden me afvragen hoe deze kelder er overdag uit zou zien. Normaal ben ik daar niet zo mee bezig, maar ik lees tijdens deze reis nogal veel in Reves brievenboek Op Weg Naar Het Einde, waarin hij prachtig vertelt over de dag na een feestje. Het mysterie van de slechts voor een kwart opgerookte sigaretten, de kapotte glazen overal, de bizarre drang tot helpen met afwassen, etc.

Het boek, uit de tijd dat hij nog met de voornaam ‘Gerard Kornelis Van Het’ door het leven ging, lees ik moeizamer dan andere boeken, vanwege het – zelfs voor die tijd – veelal archaïsche taalgebruik en de, weliswaar prachtige, maar ook vaak ingewikkelde en afdwalende, bijzinnen. (Na zo’n puzzelachtige paragraaf volgt vaak een stuk tussen haakjes, waarin Gerard Kornelis Van Het zijn schrijfsels van commentaar of geestige anekdotes voorziet, bijvoorbeeld over zijn boottocht naar Edinburgh, waar hij een knappe jongeman tegenkwam en plotseling begon te fantaseren over hoe hij hem, door de door strenge ordehandhavers overbevolkte gangen, naar zijn cabine zou loodsen en daar samen op het ritmische deinen van het schip de mannenliefde te bedrijven.) Ik geniet volop, maar wel met matige nipjes.

Van nippen heeft de rest hier overigens nog nooit gehoord. In Ohrid is het normaal om drankshotjes niet per stuk te bestellen, maar gelijk een hele kan vol, van waaruit je constant kunt blijven bijschenken. Het mag wat dit betreft een wonder heten dat het grootste deel van de bezoekers – enkele lamstralen op de vloer in een hoek daargelaten – om vijf uur ’s nachts nog uitbundig stond te dansen. Nu waren hun knieën en ruggen inmiddels al wel zover gebogen dat niemand enige vermoeidheid en dronkenschap meer kon ontkennen (je kreeg bijna medelijden met het zootje). Gelukkig voor hen vond de dj het inmiddels ook wel mooi geweest en zag het zoveelste kapotknallende glas als teken om de dansende Quasimodo’s te verlossen. Ik begreep zijn dilemma: teruggaan naar een rustige Amerikaanse jazzplaat zou ongetwijfeld tot razernij en vervolgens muiterij leiden, maar doorgaan op dit tempo leek nog minder verstandig. Ik hield dan ook mijn hart vast toen de opgefokte hoempapa plaatsmaakte voor rustige pianoklanken van wat mij een Nina Simone-nummer leek. Maar de meute tolereerde het – wat zeg ik, begon zelfs euforisch te joelen. De jongens pakten elkaar nog steviger beet en zongen woord voor woord mee met de zware vrouwenstem die uit de speakers dreunde. Het leek nog steeds op Nina Simone, maar dan in een andere taal. Geen Macedonisch ook, ik snapte er maar weinig van. Na tweeënhalve minuut begon de pianist harder te spelen en de zangeres harder te zingen. De jazzkroeg deed mee. Mannen ramden geëmotioneerd met hun vuisten op hun borst. Nog een halve minuut later, dankzij een uitzinnige uithaal van de zangeres, was ik om. Ik wurmde mij door de bezwete lichamen naar de barman om hem te vragen welke artiest er in godsnaam in staat was om een feest op zo’n manier te temmen. Vanachter zijn baard kwam een grote grijns tevoorschijn. “Josipa Lisac, uit Kroatië. Zij is de beste zangeres van de Balkan.” Ik geloofde hem.

Tags: , , , , , , , , ,

-->