nummer van 05/07/2013 door

‘Sylvia Plath’ van Ryan Adams

Een bondgenootschap tussen talenten

Ryan Adams – Sylvia Plath

We zijn erdoor gefascineerd, lijkt het, door zij die jong en getalenteerd zijn, en bovenal flink depressief aangelegd. Zij – muzikanten, dichters, schrijvers, acteurs, van het creatieve soort – gaan bijkans getergd door het leven, steeds manieren zoekende om de pijn te verzachten. Hun zelfverkozen dood laat een spoor van verwarring achter. Waarom, als ze zo goed was in wat ze deed? Waarom, als hij zo jong was en nog zoveel meer kon bereiken? Fascinatie begint op het moment dat we onszelf niet meer herkennen in wat we lezen, horen of zien. Ons inlevingsvermogen, een kundig instrument waarmee we elkaar doorgaans begrijpen en tolereren, daalt en maakt plaats voor ontzetting, onbegrip en de algehele constatering dat de wereld toch zeker niet ronddraait op het moment dat we haar niet kunnen bevatten. Met onze fascinatie leggen we de boel eigenhandig stil en richten we onze pijlen op de persoon die het leven liet, onderwijl de nog levende gekwelde kunstzinnigen negerend – tot ook zij een lugubere vorm van aandacht opeisen. We fascineren ons een slag in de rondte en dat, excusez le mot, fascineert me.

Het mooie aan kunst, misschien wel het mooiste eraan, is, dat het ons in de gelegenheid stelt onbegrip en verwarring om te zetten in iets dat troost of heelt, waar wij zelfmoord enkel kunnen accepteren of veroordelen. Hoe onbegrip en verwarring worden omgevormd tot iets moois hangt af van de mate van fascinatie. Maar het hangt ook af van de mythe die om de persoon in kwestie is gecreëerd, de manier waarop hij of zij wordt herinnerd; staat hun leven in de schaduw van hun dood, of staat hun dood in de schaduw van hun leven? Het een lijkt het ander niet uit te sluiten: de fascinatie voor iemands dood is inherent aan het leven dat tot dan toe is geleefd, en vice versa. Maar is elke ode aan een jonge, getalenteerde, uit het leven gestapte creatieveling terecht? En gaat het bij het eren van zo iemand om het in stand houden van de smeuïge mythe, of is er sprake van oprechte inleving, waarbij twee zielen, een levende en een dode, elkaar temidden van deze ongrijpbare wereld vinden? Ik worstel soms met deze vraag omdat kunst zich aan de oppervlakte zo mooi kan voordoen, waar het onderhuids weinig meer betekent. Mensen kunnen zich aan de oppervlakte zo interessant voordoen, terwijl ze eigenlijk meeliften op de misère van een schijnbaar briljante geest.

Sylvia PlathZo niet vandaag. Sylvia Plath, de vrouw waar Ryan Adams over zingt, was een Amerikaanse dichteres, essayiste en schrijfster van één enkele semi-autobiografische roman, The Bell Jar (De glazen stolp, 1963), die een maand na de uitgave van dat boek zelfmoord pleegde. Ze was toen 30 jaar. Plath was 8 toen ze haar eerste gedichten schreef, studeerde dankzij een beurs aan het Britse Cambridge en onmoette daar dichter Ted Hughes, met wie ze trouwde en twee kinderen kreeg. Maar Hughes kreeg een affaire met de mooie Assia, verliet Plath en hun kleine kinderen, en liet de dichteres in een nog grotere depressie achter. Assia’s zwangerschap en een strenge winter maakten het niet makkelijker; Plath stopte op 11 februari 1963 haar hoofd in de gasoven, nadat ze haar kinderen in een andere kamer had veiliggesteld en van eten en drinken had voorzien.

In Adams’ ‘Sylvia Plath’ (Gold, 2001) hoor ik geen ode maar een bondgenootschap. Geen verering maar plichtsbesef; Adams is net als de hoofdpersoon uit zijn liedje gevoelig voor depressie, eenzaamheid en geestverruimende middelen. Hij plaatst zichzelf en Sylvia Plath – “The kind that goes out and then sleeps for a week” – in een dagdroom zonder grenzen, waarin ze elkaar perfect aanvoelen, waarin ze hun emoties de vrije loop kunnen laten. Hun gedeelde kwetsbaarheid is aandoenlijk en schrijnend tegelijk. De dood zo beangstigend nog niet:

While she was swimming away, she’d be winking at me 
Telling me it would all be okay 
Out on the horizon and fading away

Adams, van wie we weten dat hij ooit depressief was, verslaafd, en misschien wel eenzaam, lijkt zichzelf ervan te willen overtuigen dat Sylvia’s daad minder tragisch was dan ons wordt voorgelegd. Alsof haar dood op een bepaalde manier geromantiseerd kan worden, ver weg van de realiteit, ver weg van hoe wij over zulke gevallen oordelen. Als hopeloos adept schetst hij het droombeeld van een ideaal einde, een ontmoeting en afscheid ineen tussen twee gertergde zielen. Zijn fascinatie is van het soort dat heelt; het onbegrip rondom Sylvia is omgevormd tot iets moois, iets heel moois.

And maybe she’d take me to France 
Or maybe to Spain and she’d ask me to dance 
In a mansion on the top of a hill 
She’d ash on the carpets 
And slip me a pill 
Then she’d get pretty loaded on gin 
And maybe she’d give me a bath 
How I wish I had a Sylvia Plath 
I wish I had a Sylvia Plath

Sylvia Plath is ook voor andere artiesten een bron van inspiratie geweest: Breathe Owl Breathe schreef een nummer over haar, net als Paul Westerberg (ex-The Replacements). 

Tags: , , , , , , ,

-->