nummer van 29/04/2013 door

‘2, Pour les tierces’ van Claude Debussy

Nederigheid ten opzichte van muziek

https://youtube.com/devicesupport

“Muziek had echt een hermetische wetenschap moeten zijn, verborgen in teksten zo moeilijk te ontcijferen dat ze de mensen die er mee omgaan alsof het een zakdoekje is hadden ontmoedigd eraan te beginnen! Ik zou zelfs verder gaan dan dat en in plaats van muziek onder het volk te verspreiden, de oprichting van een ‘Vereniging van Muzikaal Esoterisme’ voor te stellen…”[1]

Jong, virtuoos en surfend op een golf van zelfverzekerheid. In 1893 schreef Claude Debussy het bovenstaande naar zijn collega Ernest Chausson. Debussy, de Franse componist, bejubeld om zijn pianowerk evenals zijn symphonieën waarmee hij zich als een van de eersten afzette tegen het ouderwetse Wagneriaanse, had duidelijk moeite met een lichte benadering van muziek. Hij loopt hier over van arrogantie, zet zich hard af tegen de simpele amuzikale mens die geen recht heeft op muziek en schaart zich impliciet bij de chosen few die wel mogen praten over zaken die zij begrijpen. Niet heel sympathiek.

Claude DebussyEn toch, achter alle arrogantie die terug te lezen is in Debussy’s muzikale visie, zit een grote nederigheid van de meester zelf ten opzichte van Muziek. Hij was niet makkelijk voor zijn omgeving, maar evenmin voor zichzelf. Zijn persoonlijke uitdaging zat in de zoektocht naar alternatieve geluiden en inspiratiebronnen voor zijn composities, haaks staand op de normen en de smaak van zijn tijd. Hij struinde boekzaken af op zoek naar exotische literatuur, liet zich inspireren door een meer aardse (voor hem ‘echte’) type kunst en opende daarmee zijn ogen voor atonaliteit en atypiche ritmewisselingen. Het kostte hem veel tijd en veel moeite zijn plekje aan de tafel van de  grote componisten veilig te stellen, maar hij had er wel echt zelf voor gezorgd dat hij er zat. De Etudes die hij in zijn latere carrière schreef zijn een perfecte illustratie van zijn kunnen – en van wat vele anderen niet konden.

De Etudes verschenen in 1915 in twee boeken: Livre I en Livre II. Twaalf stukken, zes in elk boek, opgedragen aan een van Debussy’s inspiratiebronnen Chopin. Voor de moeilijkheidsgraad van de stukken waarschuwde hij lezers vooraf: dit waren geen eenvoudige lessen en het zou niet iedereen lukken de Etudes te spelen. Bovendien liet hij het aan iedereen zelf over om de juiste vingerzetting te vinden voor de partijen, net als de meeste grote componisten waar Debussy een voorbeeld aan nam dat deden. “De grote meesters vertrouwden, zonder twijfel, op de geniositeit van hun tijdsgenoten.” Aanmoedigend of ontmoedigend, het is maar de vraag. De ironische toon is in ieder geval makkelijk voor te stellen. Waarschijnlijk lag het in het verlengde van Debussy’s  gedroomde muzikale elite; wie zich op eigen houtje door zijn Etudes heen kon worstelen, zou een plek verdienen in zijn exclusieve Muziekvereniging.

Nummer twee van de Etudes, ‘Pour le tierces’, is een strenge oefening voor de rechterhand, bedoeld om de vingers te dwingen snelle en vloeiende bewegingen te maken en per akkoord steeds weer goed uit te komen met het spel van de linkerhand. Debussy beschreef het stuk als “très difficile” en dus “très utile” (heel moeilijk, ergo heel nuttig). Het was een waarschuwing voor pianisten hun ambities te laten varen tenzij ze in het bezit waren van buitengewone handen. Enthousiastelingen moesten het doen met ambigue instructies als “Moderato ma non troppo”. Ogen dicht en hopen op het beste. Debussy zou zijn verenigingspassen niet makkelijk weggeven.

  1. [1]Bron: The Rest is Noise, Alex Ross

Tags: , , ,

-->