nummer van 20/09/2012 door

‘The Island…’ van The Decemberists

Van episch tot ingetogen

Zes albums heeft The Decemberists al op zijn naam staan. Zes platen vol verhalende liedjes, vaak over mensen die wat minder geluk hebben gehad in het leven. De eerste drie op onafhankelijke platenlabels zoals Kill Rock Stars, de andere drie op het grote Capitol. Tot en met de derde plaat Picaresque (2005) staat de band te boek als indie en folk. Maar op hun vierde, het major label-debuut The Crane Wife (2006), verrast de band met een soms bijna te bonte mix van hun inmiddels bekende indiefolk met de muziek van bijvoorbeeld Emerson, Lake and Palmer, Deep Purple en R.E.M.

Een van de beste voorbeelden is misschien wel het dik twaalf minuten durende nummer met de eveneens lange titel ‘The Island: Come And See/The Landlord’s Daughter/You’ll Not Feel The Drowning’. Het lange nummer is, zoals je al aan de titel af kunt lezen, opgedeeld in drie verschillende stukken. Na de twee minuten durende intro begint stuk één, ‘Come And See’, ingeleid door een akoestische gitaar. Al snel valt de drummer in om het stuk wat op te jagen, tot de break die naar het prachtige refrein (3:40) leidt. Het is het eerste hoogtepunt van het nummer. Een vrouwenstem, die zacht is ingemixt, begeleidt op verlokkelijke wijze de “who rose like the wind” en “we’ll not go home again” tijdens de refreinen.

The Crane Wife (2006)

Progrock

Op 6:14 is het plotsklaps duidelijk waarom de recensenten termen als progrock gebruikten in hun besprekingen van het album. ‘The Landlord’s Daughter’ begint met een orgel die nog niet op hol geslagen is, maar waarvan alle voortekenen daar zijn dat dat niet lang meer duurt. Na een kleine minuut is het dan ook zover. Een soort Deep Purple-light. Het stuk blijft de rest van de drie minuten maar voortdenderen met variaties op wat de orgels doen. Het is begrijpelijk dat fans van eerdere platen hier hun wenkbrauwen fronzen.

Totdat rond 9:10 alles met piepende remmen tot stoppen wordt gebracht. Het laatste stuk ‘You’ll Not Feel The Drowning’ is groots opgezet met tokkelende gitaren, strijkers, orgel en zinnen als: “Go to sleep little ugly, go to sleep little fool, […], you’ll not feel the drowning.” Hier wordt iemand voor de laatste keer uitgezwaaid, met muntjes op zijn ogen om de overtocht naar het hiernamaals te kunnen betalen. Het klinkt bekend, zoals The Decemberists op eerder platen klonken.

Uitersten

The Decemberists

‘The Island…’ is een episch nummer met veel van de verschillende facetten die het album The Crane Wife zo anders maken dan de vorige platen. De plaat is een soort van conceptalbum, losjes gebaseerd op een Japans volksverhaal over een man die een kraanvogel verzorgt en daardoor een vrouw ontmoet, rijk wordt met haar, maar ook ontzettend hebberig. Het idee van een conceptalbum breidde de band op zijn volgende plaat trouwens nog verder uit. Naar eigen zeggen is The Hazards Of Love (2009) een “rock opera”. De laatste plaat uit 2011, The King Is Dead, gaat weer terug naar het wat oudere geluid van voor de twee conceptplaten.

‘The Island…’ is een uiterste. Om daar een ander uiterste tegenover te stellen, wil ik daarom nog een liedje hieronder laten horen, van hun derde plaat Picaresque. Het heet ‘From My Own True Love (Lost At Sea)’. Het is de andere kant van de band: ingetogen en klein, maar nog steeds dramatisch en verhalend, net als het nummer bovenaan.

The Decemberists – From My Own True Love (Lost At Sea)

Tags: , , , , , , , , , ,

-->