nummer van 06/09/2012 door

‘Where Does All The Time Go?’ van Chain & The Gang

De kanttekeningen van een originele geest

Chain and the Gang – Where Does All The Time Go?

Ian Svenonius is een intrigerende man. Al 25 jaar kenmerkt zijn theatrale act hem als zanger. De eerste keer was dat bij The Nation Of Ulysses, waar hij door zijn wilde en onbesuisde podiumpraktijken nogal eens geschonden van het podium afstapte en soms zelfs iets brak. Tegenwoordig vermaakt hij op innemende en tegelijkertijd uiterst sarcastische wijze het publiek dat naar Chain & The Gang komt kijken.

De eerste keer dat ik hem zag was ergens halverwege de jaren negentig in De Lintfabriek in het Belgische Kontich. Die namiddag trad hij daar op met zijn toenmalige band The Make-Up. Terwijl die al op het podium stond en aan het eerste nummer begon, was er van Svenonius nog geen spoor te bekennen. Maar tijdens het nummer – een primitief ritme met een beetje bas en orgel – kwam Svenonius het podium op. Op zijn hurken baande hij zich weg tussen zijn bandleden door, alsof hij uit de struiken tevoorschijn kwam. Eenmaal vooraan op het podium stapte hij het publiek op, dat hem over de handen tot halverwege de zaal liet lopen. Van bovenaf keek hij met een mix van dédain en Messiaanse sympathie naar beneden, naar ons.

Chain & The Gang

Chain & The Gang

D.C.

Ian Svenonius komt uit de alternatieve scene van Washington D.C. Dat was eind jaren zeventig en begin jaren tachtig de bakermat van hardcore en punk. Bands als Minor Threat, Government Issue, Bad Brains en jongens als Henry Rollins en Ian MacKaye maken in die dagen de blauwdruk van hardcore. Inmiddels is hardcore zo’n veertig jaar verder en veel liefhebbers zullen stellen dat na de begindagen het nooit meer beter is gedaan. Dat dachten ook veel D.C.-coryfeeën van het eerste uur toen de jaren tachtig richting de helft gingen. Daarom waren die muzikanten niet bang om steeds nieuwe paden te betreden en andere muzikale invloeden te verwerken in hun bands. Het bracht ons bijvoorbeeld Fugazi.

Svenonius richtte in 1988 zijn eerste band op: The Nation Of Ulysses. Een wilde punkband die al ver buiten de gebaande paden durfde te treden. Helemaal als het gaat om het imago van de band, of de ‘politieke partij’ zoals de leden het zelf noemden. Het imago was een mix van tienerrebellie, rock-n-roll, anarchisme, radicalisme, intellectualisme en situationisme. Misschien wel simpeler samen te vatten in: anti-autoritair, wild en meeslepend leven, en kritisch kijken naar de wereld om je heen. Maar altijd tongue in cheek, met een saus van ironie en zelfspot. “The seriously unserious, reverently irreverent, amoral moralists”, zoals Svenonius zegt in het nummer ‘The Sound Of Jazz To Come’. En als de beschrijving van het imago van de band je bekend voorkomt, inderdaad, Refused kopieerde dit zo’n tien jaar later ten tijde van hun Shape Of Punk To Come.

Originele geest

Nadat Ulysses in 1992 er de brui aan gaf, richtte Svenonius The Make-Up op. Geen punk meer, maar een mix van lo-fi garage en soul. Wel nog de politieke statements met de ironische toon: de grappige en soms abstracte uitingen van een originele geest. Ook in daaropvolgende bands ontbrak Svenonius eigengereide blik op de wereld om hem heen niet.

Sinds een paar jaar zit hij in Chain & The Gang. Rammelende elementaire muziek waarmee hij nog steeds op geheel eigen wijze de conventies van popmuziek wil aanpakken. Deze zomer kwam de derde plaat uit van de band: In Cool Blood. Het wordt geen klassieker die over een paar jaar nog veel rondjes zal maken op mijn platenspeler, net als de vorige twee platen. Maar met de frivoliteit van Svenonius en zijn bands kan ik af en toe heel goed uit de voeten. Zoals bijvoorbeeld met dit nummer, ‘Where Does All The Time Go?’

Tags: , , , , , , , , , , , , , , ,

-->