nummer van 25/05/2012 door

‘It was a very good year’ door Della Reese

Muziek als medicijn

Della Reese – It Was a Very Good Year

Kort nadat ik begon met studeren, nam ik een bijbaan als thuishulp. Vanwege mijn studie werd ik onregelmatig ingepland en kwam ik derhalve op veel verschillende adressen in de buitenwijken die Utrecht rijk is. Bij al deze adressen wist ik pas op het moment dat de deur openging in wat voor omgeving ik de komende drie uur zou gaan schoonmaken. In sommige huizen leek drie uur een eeuwigheid – door de stilte, of juist de hoeveelheid aan werk. In andere huizen vloog de tijd om, al dan niet theedrinkend en kletsend.

Stil of niet stil, veel of weinig werk, de mensen bij wie ik kwam hadden in ieder geval één ding gemeen. Zo’n twee à drie keer in de week zat er iemand tegenover me die naar eigen zeggen ooit een bewogen leven had geleid, en nu in een sta-op stoel wachtte totdat er ooit eens familie langskwam. Hen helpen voelde dus enigszins bevredigend, maar ik ging toch vaak met een knoop in mijn maag weg. Helemaal als ze me bij de deurpost een hoopvolle blik toeworpen en zeiden: “Nou, ik vond het heel gezellig. Misschien mag je hier de volgende keer ook wel komen?” In de meeste gevallen was de vrouw of man zo lief dat ik meteen hetzelfde hoopte, in andere gevallen bedacht ik me wat een vreselijk mens ik toch was als een vies, stinkend toilet me belette te hopen bij die ene ontzettend aardige man terug te komen.

Ik studeer niet meer, maar ik maak nog steeds drie uur per week schoon op een vast adres, bij een relatief jonge, maar zieke vrouw. We kunnen nog niet echt afscheid van elkaar nemen, denk ik. In de bijna vijf jaar dat ik nu bij haar de ramen lap, volgen we wekelijks een vast ritueel. We beginnen met een kop thee en een samenvatting van wat we die week hebben meegemaakt. Vervolgens legt ze haar medicijnen klaar – wel twintig verschillende – en begin ik te stoffen. Er zit nog geen minuut tussen het moment dat ik de stofzuiger uitdoe en dat ze op zangerige toon aangeeft: “Koffietijd!” Al snel gaat de radio aan. Lekker hard, want deze vrouw mag dan wel ziek zijn, ze houdt van dansen. En zingen. Dat zijn dan ook meteen dé dingen die we met elkaar gemeen hebben, aangezien ik me nauwelijks een voorstelling kan maken van haar pijn en zij niet van mijn leven buiten haar woonkamer. Het is nooit stil als ik bij haar ben. Zij zit nooit stil, en al helemaal niet in een sta-op stoel.

Ondanks dat ze doorgaans de radiozender 100% NL opzet en heftig meebrult met Guus’ nieuwste hit, weet ik dat haar hart ligt bij de rock-‘n-roll uit de jaren 50 en 60. Soul en funk doen het bij haar ook goed, als het voetjes van de vloer betreft. Ik vroeg haar laatst dan ook naar de muziek die ze in haar jeugd luisterde en wat haar eerste singletje was. Dat kon ze zich niet meer herinneren. Ze wist nog wel op welke muziek ze voor het eerst in de disco had gedanst. Funky, noemde ze de stijl, zeker voor die tijd. Mijn interesse was gewekt. Ik probeerde me voor te stellen wat funky nu precies betekende vanuit haar beleving, maar ze was me voor: “Ik weet nog een nummer met een hele goede… Hoe zeg je dat? Drumpartij? Beat. Ik was denk ik 18 toen ze dat draaiden.” Ik dacht aan liedjes met een goede beat en begon ondertussen te rekenen; ik wist hoe oud ze was. Ze vervolgde: “Een beat. En een vrouwenstem, heel zwaar. Ze praatte eigenlijk meer.” Ik zette mijn lege koffiekopje terug op tafel. Ik kon een gok doen, maar wilde haar er liever zelf op laten komen. Ik keek op de klok en besefte me dat we het al een kwartier niet over haar gezwollen voet of ontstoken oog hadden. “God, hoe ging ‘ie ook alweer? Zo’n lekker liedje!”, waarna ze zachtjes begon te neurieën. “…I can recall…”  – ik vulde aan: “As though it were yesterday” – “Ja!” Ze straalde. En ik wist precies over welk fan-tas-tisch nummer ze het had.

Tags: , , ,

-->