Serge Gainsbourg je suis venu te dire

Je suis venu te dire que je m´en vais. Ik ben gekomen om te zeggen dat ik wegga. Serge Gainsbourg zal altijd geprezen worden op zijn woordspelletjes. Van teder en grappig naar ver over de grens. In ‘Un zeste de citron’, het liedje over de incestueuze vaderdochter-relatie dat hij voor zijn dochter Charlotte en zichzelf schreef, doet Gainsbourg weinig moeite te verbergen dat het nummer zeker niks te maken heeft met een kookrecept. En mensen (Fransen, nog wel) pikten het. Hij kreeg het, letterlijk, voor elkaar volgepropte arena’s mee te laten zingen met zinnen als “Je t’aime tellement, je t’aime plus que tout, oh papapaaa” (ik houd zoveel van je, ik houd meer van je dan wat dan ook). Alom gejuich. Vandaag juichen we voor een iets fijner voorbeeld van Gainsbourgs taalgevoel.

Gainsbourg kon met veel wegkomen dankzij zijn taaltrucjes. Op zijn in 1958 verschenen album Du chant à la  une! staat ‘Le poinçonneur des Lilas’, een liedje over de jongen die de gaatjes knipt in de kaartjes van bioscoopbezoekers. Gaatjes, gaatjes, eerste  klas gaatjes, tweede klas kaartjes.  Hij wordt helemaal simpel van al die gaatjes en fantaseert erover een gat te maken in zijn hoofd zodat hij daarna tot in de eeuwigheid kan rusten in een gat van permanente aard. Humor zo zwart als Gainsbourgs longen op een dag zouden worden.

Op Gainsbourgs tiende album Vu de l’extérieur (1973), waar het nummer van vandaag op staat, is de toon nog net zo zwart maar is het de vraag of het humor is of niet. Gainsbourgs krakerige stem kan de sigaret die half op zijn lippen hangt en het glas sterke drank in zijn hand niet meer verbergen. Het nummer ‘La poupée qui fait’ is niet veel meer dan een vettige knipoog naar een vrouw die hij manipuleert (of in zijn fantasieën zou willen manipuleren) als een pop. Het schijnt dat het Gainsbourg complexeerde dat hij alles, tot aan de meest platte seksuele verwijzingen, naar het publiek kon gooien en dat ze het omarmden als ware kunst. Was hij met dit soort teksten vooral zijn publiek aan het testen op hun kritieke oog, of is het allemaal ongecensureerde artistieke uiting van zijn kant? Over sommige nummers kunnen we slechts speculeren (en dat is misschien ook deels hun kracht), andere nummers zijn duidelijker in hun bedoelingen.

‘Je suis venu te dire…’ lijkt zo’n nummer te zijn; simpelweg een lief en elegant liedje over afscheid nemen – verdrietig zonder dramatisch te zijn. Bijna optimistisch zelfs, vanuit Gainsbourgs perspectief. ‘Zij’ is te vaak te ver gegaan en de tijd is gekomen dat hij voor zichzelf kiest. We horen hoe Gainsbourg het nieuws brengt als een echte heer.

Je suis venu te dire que je m’en vais
Et tes larmes n’y pourront rien changer
Comm’ dit si bien Verlaine au vent mauvais
Je suis venu te dire que je m’en vais

Ik ben gekomen om te zeggen dat ik wegga
En je tranen kunnen er niks aan veranderen
Met de slechte wind mee, zoals Verlaine zo goed zegt
Ben ik gekomen om te zeggen dat ik wegga

Zoals de rest van het album is het geluid overheersend zacht en kalm; mellow jaren ’70 drums en zacht gitaargetokkel. Maar, en dat kan niet van alle nummers op de plaat gezegd worden, er zit een subtiele schoonheid in dit nummer die moeilijk voor ironie of sarcasme door kan gaan. Op 0:45 maken de gitaarnoten en Gainsbourgs zanglijn zo’n mooi samenspel dat je niet eens wil geloven dat dit een test zou kunnen zijn van een provocerende componist. “Tu te souviens des jours anciens et tu pleures” (je denkt aan de oude tijden en je huilt). Misschien waren het niet zijn intenties, maar Gainsbourg is hier een en al empathie en stijl.

Tags: , , , , , , ,

-->