nummer van 06/04/2012 door

‘Help me make it through the night’ door Gladys Knight & The Pips

3 minuten zelfmedelijden, en dan weer verder

Gladys Knight & the Pips – Help Me Make It Through the Night

Een baanzoekende mag graag piekeren. Over geld, allereerst, maar vlak daarna over het maken van juiste keuzes. Ik probeer het piekeren te beperken tot een uur voor het slapengaan, zodat ik er niemand mee lastigval. De overige uren die ik wakker doorbreng, besteed ik actief: reageren op vacatures, schrijven, zoeken, navragen, werken, praten met mensen ‘uit het vak’, schrijven, zoeken, mailen, bellen, en… werken. Al dan niet vrijwillig. Net als toen ik nog studeerde. Ik schreef toen ook stukjes en maakte meters bij de radio. Je eerste grote-mensen-baan als historica met voorzichtige journalistieke ambities komt je niet aanwaaien, doorgaans.

Het kleine beetje zelfmedelijden dat ik mezelf tijdens die zeldzame nachtelijke piekersessies gun, wordt gevoed door een in 3 minuten en 41 seconden verpakt heilzaam liedje: ‘Help Me Make It Through The Night’, door Gladys Knight & The Pips (1972).[1] Ik vind sinds jaar en dag troost in dit nummer, omdat het beantwoordt aan alles wat ik voel als ik pieker, ofwel, al mijn vermogen tot relativering verlies: yesterday is dead and gone and tomorrow’s out of sight / and it’s sad to be alone / help me make it through the night.

Kris Kristofferson, die het nummer in 1970 schreef, richtte zijn pijlen met deze tekst natuurlijk op de liefde. Maar als ik hoor: let the devil take tomorrow / Lord, tonight I need a friend, denk ik aan vrienden en kennissen die me in deze crisistijd proberen aan te moedigen met zinnen als “Morgen weer een dag” en “Het komt goed.” Vanavond, wil ik ze dan zeggen. Vanávond heb ik jullie steun nodig – niet morgen. Hoe lief jullie het ook bedoelen. Na 3 minuten en 41 seconden door het diepste dal te zijn gegaan kan ik er echter weer tegenaan. Genoeg zelfmedelijden, genoeg gezeurd. Aanpakken morgen.

Ik werd dan ook een beetje verdrietig toen eind januari een andere ex-geschiedenisstudente, ene Myrta Otten, een zuur ‘betoog’ hield over de status van de journalistieke branche waarin ze zo graag wilde werken. Ze maakte zich kwaad over het feit dat je als universitair geschoold journalist na je afstuderen alsnog onderaan de journalistieke ladder begint. In plaats van ergens bovenaan, zoals Myrta’s masteropleiding Media & Journalistiek in Rotterdam haar ooit had beloofd in ruil voor veel collegegeld en weinig contacturen.

Myrta kreeg haar stuk geplaatst op Villamedia en wat er volgde was niet mals. Vier dagen en meer dan tachtig reacties later was de consensus: wees niet zo arrogant, ga aan het werk, doe ervaring op – wie denk je wel dat je bent? Alsof zij, de wellicht niet academisch geschoolde journalisten die reageerden op haar betoog, hun functie op onterechte wijze hadden verkregen. Alsof Myrta récht had op een baan in de journalistiek, alleen omdat ze het vak op het ‘hoogste niveau’ had bestudeerd.

Gisteren trok ze opnieuw de aandacht met een artikel op de site van Villamedia. Wat er was gebeurd: sinds dat betoog eind januari was GeenStijl zich ermee gaan bemoeien, waarop Myrta de schrijver van het GS-stuk onder handen probeerde te nemen. Je raadt het al, wederom hoongelach.

Ik schaamde me een beetje. Want Myrta representeerde mij, een universitair geschoolde ex-student, die ook minder werkervaring dan de gemiddelde hbo’er heeft opgebouwd om meteen aan de slag te kunnen. Maar zo, verbitterd en elitair, wil ik helemaal niet gerepresenteerd worden. Dit is toch ook niet de manier om de relevante discussie over de beroerde aansluiting van universitaire studies op de arbeidsmarkt aan te zwengelen?

Hoe kan het bovendien dat ze zo naïef is? Je wordt aan universiteiten opgeleid tot wetenschapper, in het gunstigste geval tot specialist op een bepaald terrein; gebruik dát als je stokpaardje, gebruik dát om je van anderen te onderscheiden. Schrijf en laat je horen. Maak, creëer, dóe iets. Wat in ieder geval niet lijkt te werken is zeuren als een verwende puber die nooit in loondienst is geweest maar wel voor z’n dertigste miljonair verwacht te worden. Het probleem is niet dat je per se een opleiding journalistiek aan een hbo-instelling had moeten volgen of naast je universitaire studie praktijkervaring had moeten opdoen om in de mediawereld terecht te komen – het probleem is dat niemand je dit heeft verteld. Hoe oneerlijk dat ook moge zijn, met deze toon jaag je mensen tegen je in het harnas. Mensen die je misschien wel nodig gaat hebben als je toch besluit het onderaan die journalistieke ladder te proberen. Het gaat niet om wie je bent, maar wie je kent.

Maar goed, het is nog niet te laat, zoals iemand ook naar aanleiding van Myrta’s stuk stelde: “Niet elke journalist was op z’n achtste z’n eigen radioprogramma aan het opnemen op cassettebandjes.”[2] Aan mensen als Myrta dan ook wat ongevraagd advies: herpak jezelf en wees realistisch. Zet een nummer op waarmee je je identificeert en zwelg een paar minuten in je eigen onbehagen. Desnoods elke dag, voor het slapengaan. Als het liedje zijn laatste noten uitblaast, is het klaar. Genoeg zelfmedelijden, genoeg gezeurd. Aanpakken morgen.

  1. [1]In bovenstaande video mist Gladys’ gesproken inleiding, gelukkig wel te horen op de studioversie in onze Spotify-lijst.
  2. [2]Zie reactie nr. 16 van Thijs Roes.

Tags: , , , , , , , ,

-->