nummer van 30/03/2012 door

‘Choctaw Hayride’ van Alison Krauss & Union Station

Metronomisch strak en opzwepend

Alison Krauss & Union Station – Choctaw Hayride

Zo’n scène uit Man Bijt Hond waarin we een echtpaar volgen, laten we ze Rinie en Joop noemen, op weg naar het buurtcentrum een paar straten verderop om te gaan linedancen. Dáár associeerde ik country mee. In eerste instantie niet met de fameuze Alison Krauss en haar bluegrasscompanen, de mannen van Union Station (AKUS). Je hebt country en je hebt country, zeg maar. Daar kom je op een gegeven moment achter, vroeg of laat. En in dat laatste geval is er echt nog niks verloren.

Begin net als ik bijvoorbeeld eens met Live (2002), de (live)plaat van AKUS waar ook ‘Choctaw Hayride’ op staat. Het zwoele en tegelijk lieflijke ‘Let Me Touch You for Awhile’ is als eerste nummer niet helemaal representatief voor het album, maar is misschien wel om diezelfde reden een van de mooiste liedjes die Alison Krauss ooit heeft gezongen. ‘Choctaw Hayride’ volgt direct na deze laagdrempelige binnenkomer. De sfeer slaat om en het vuur wordt aangewakkerd. Opwinding in de zaal, concentratie op het toneel. Waar country hartverscheurend mooi kan zijn, is bluegrass voornamelijk interessant door zijn virtuositeit en gezelligheid. Met deze eerste twee nummers van Live bewijst Krauss in beide vereisten voor een goede pot Amerikaanse volksmuziek uit te blinken. We hebben het hier natuurlijk wel over iemand die 27 Grammy’s op de schoorsteenmantel heeft staan.

Zonder haar mannetjes doet ze het echter liever niet. Neem nou Jerry Douglas, drievoudig Country Music Association’s musician of the year en bezield bespeler van de dobro. Nee, niet het Slavische woord voor ‘goed’ – hoewel geen ander het instrument ‘goed’ beter zou staan – maar het type resonatorgitaar dat hij bespeelt. Met zijn glimmende, galmende gitaar máákt hij dit nummer. Dat is een boude uitspraak, want zowel fiddler Krauss als banjospeler Ron Block soleren er vurig op los in dit nummer. Eigenlijk is de gehele band hier op zijn allerbest: metronomisch strak, swingend en opzwepend als een ouderwetse trein uit een spaghetti-western die flink op stoom is gekomen.

Ja, en toch steelt Jerry Douglas hier de show. Tot aan 2:10 domineert het belangrijkste thema, met de solo’s van Krauss en Block als prettige variaties hierop. En dan volgt op 2:11 ineens de omslag. Douglas begint aan zijn solo en leidt daarmee tegelijkertijd een soort verlossend refrein in. Er volgt een golf van ontlading en bevrediging. Een open akkoord dat de hoogte ingaat; dat doet ’t ‘m. Hoewel het applaus zich ook had kunnen richten op al dat nuftige banjowerk van de eerste paar minuten. Hoe dan ook, het publiek klapt en juicht. De tonen worden langer vastgehouden, Douglas’ dobro krijgt ruimte om te shinen, en het publiek kan het onbestemde gevoel van de eerste twee minuten van zich afschudden. We zijn er! We zijn aangekomen! Ook ik kreeg een gelukzalig gevoel van die omkering vanaf 2:11 toen ik het liedje voor het eerst hoorde nog steeds eigenlijk. Het verhaal is rond. Mooie vent, die Jerry: eerst een goed nummer schrijven, om zichzelf vervolgens de beste solo te geven. En wij ondertussen maar linedancen.

Tags: , , , , ,

-->