nummer van 05/02/2012 door Nick Hornby

‘Needle in a haystack’ van The Velvelettes

Het nummer dat Hornby aan het dansen kreeg

Als redactie stuiten we vaak op de mooiste verhalen over muziek, opgetekend door schrijvers die we bewonderen. Soms zijn deze verhalen zo typisch des Nummer van de Dags, dat we die onze trouwe lezers niet willen onthouden. Neem nou een verhaal uit ‘Songbook’ (2002) van Nick Hornby (je weet wel, de schrijver van ‘High Fidelity'(1995), het boek dat ook als film erg veel muziekliefhebbers kon bekoren). ‘Songbook’ is een collectie van 26 essays over 31 liedjes waarmee Hornby een bijzondere band heeft. Hij legt uit wat er klassiek of catchy aan een nummer is, wat voor effect muziek op je emotionele toestand heeft, terwijl hij soms ook simpelweg beschrijft hoe zijn eerste kennismaking met een bepaald liedje verliep. Dat laatste doet hij vandaag, op ons blog. Als gastblogger. Want dat istie natuurlijk, diep in zijn muzikale schrijvershartje: gastblogger van Nummer van de Dag. 

Tip!

Je doet je best om niet als cliché gezien te worden. Een blik op de kunst aan de muur en de cd’s in je kast laat alleen maar een niet te plaatsen persoonlijkheid zien van iemand die er in geslaagd is alle stereotype kenmerken te vermijden. Als blanke man, en zeker wanneer je de veertig voorbij bent, is de kans groot dat je voorspelbaar tekort schiet op één gebied: je kan niet dansen. Je kan niet alleen niet dansen, maar je weigert ook het te proberen tenzij je dronken bent en er geen bekenden in de buurt zijn (bij voorkeur zijn de mensen om je heen ouder en/of voelen zij zich zichtbaar nog ongemakkelijker dan jij). Als er dan toch mensen zijn die je wel kent, dan moet je ze minstens vijfentwintig jaar kennen voor je in hun bijzijn gaat dansen. Het spreekt voor zich dat ook zij dronken moeten zijn. Ik wou dat ik kon zeggen dat ik op dit punt in mijn leven er wel in geslaagd zou zijn het vaste patroon te doorbreken. Dat ik, ondanks mijn leeftijd, geslacht en nationaliteit (ik vrees dat Engelsman zijn in dit geval niet echt helpt) toch de dansvloer op raas met het enthousiasme en gebrek aan zelfbewustzijn van een driejarige en moeiteloos beweeg zoals een jonge Baryshnikov. Maar natuurlijk kan ik dat niet. Ik beschouw de dansvloer als het sociale equivalent van de Noordzee tijdens Engelse strandvakanties: iets wat je met angst en behoedzaamheid dient te benaderen, iets wat je urenlang tegemoet loopt en waarvan je weer weg loopt terwijl je een interne strijd voert met je eigen dapperheid, iets waar je snel en ongemakkelijk induikt terwijl elk bloedlichaampje in je lijf je smeekt terug te keren voor het te laat is, iets wat belangrijke delen van jezelf doet verschrompelen.

Vroeger, toen ik nog een tiener was, ging ik elke zaterdag dansen in de buurt in de hoop meisjes te ontmoeten. Natuurlijk danste ik niet echt. Gaan dansen om te gaan dansen is zoals naar het theater gaan om te acteren: je ziet met eigen ogen dat sommige mensen het doen, maar je kende hen niet. Je betaalde enkel om ze aan het werk te zien.

Deel van het probleem was de muziek waar ik als tiener naar luisterde. Je kon die evengoed proberen op te eten als er op te dansen. Zware rock was geen lichtvoetige muziek – dat was ook de bedoeling ervan – en ook al werd er destijds wel goede dansmuziek gemaakt, die boeide me niet. Het was zelfs zo dat wij rockfans er een hekel aan hadden omdat die muziek niet serieus genoeg was. (Later zou ik nog proberen al die dansplaten te kopen, vaak voor drie of vier keer het bedrag dat ik er als tiener voor betaald zou hebben.) Punk, waarbij ik snel op en neer moest springen terwijl ik iedereen omver duwde, zorgde er ook niet bepaald voor dat ik elegant over de dansvloer heen leerde bewegen.

Maar midden jaren tachtig ging ik plots vrijwillig dansen. En dan niet om meisjes te versieren. Ik ging omdat ik het leuk vond! De club, The Locomotion, zat in Kentish Town in het noorden van Londen en was elke vrijdagavond open. Een tijd lang voelde ik me niet lekker wanneer ik niet kon gaan, hetzelfde gevoel dat ik had wanneer ik niet naar een wedstrijd van mijn favoriete voetbalclub kon gaan. De dj draaide een fantastische mix van funk, Motown, ska, pop (‘It’s not unusual’ van Tom Jones deed het altijd goed) en af en toe house, wat toen net opkwam, maar nog niet de alomtegenwoordige plaag was die sindsdien clubs overspoeld. Alles wat ik hoorde bracht me aan het dansen en ik slaagde er bovendien ook in. (Als ik slagen zeg, dan bedoel ik dat niets me tegenhield. The Locomotion was een magische plek, maar er werden geen wonderen verricht.) De club die Rob in High Fidelity opricht is geïnspireerd op The Locomotion. Mensen die de club destijds bezochten zullen dat ongetwijfeld opgemerkt hebben.

De muziekkeuze van dj Wendy May was een bepalende factor. De Motown-nummers klonken perfect, maar het waren niet de liedjes die ik al teveel gehoord had. Het messcherpe ‘Needle in a haystack’ van The Velvelettes bijvoorbeeld, had ik nog nooit gehoord. Zoals alle goede dj’s dat kunnen, slaagde May er ook in het nummer eigen te maken. Het definieerde haar en de club. Wat ongetwijfeld hielp was dat ze overduidelijk ook een fan was.

Maar het was niet enkel de muziek. Ik begreep de mensen ook. Ze waren allemaal in de dertig, niet heel netjes en zeker niet heel rijk. Ze waren niet intimiderend. Niemand gaf de indruk een professionele danscarrière te ambiëren. Het leuk vinden betekende blijkbaar niet dat je er goed in moest zijn. Ik moest nog steeds eerst een paar biertjes drinken voor ik de dansvloer op ging hoor, maar het waren er echt maar een paar. Niet zoveel dat ik dacht dat ik vier benen had en dat ik een jonge James Brown het nakijken kon geven. Naar de dansers kijken deed ik ook nog steeds graag. Er was niets zo leuk als de dansende massa gadeslaan vanaf het balkon terwijl iedereen van de vrijdagavond die je in Kentish Town kon hebben genoot.

En toen stopte ik met gaan. Waarom, dat ontgaat me nu. Leeftijd zal wel een rol gespeeld hebben, het steeds toenemende onvermogen om te functioneren op zaterdagmorgen ook. En ik werd weer die gewone, verlegen man die – zo lijkt het – het magische koninkrijk verlaten had. Wendy May woont naar het schijnt op het platteland tegenwoordig. Een tijdje terug organiseerde ze een eenmalige dansavond in een club in mijn straat. Ik ben niet gegaan. Ik zou me toch maar geschaamd hebben.

Tags: , , , , , , , , , ,

Leave a Reply

-->