Dead Man's Bones – My Body's a Zombie For You

Het was even voor twaalven, ik liep de kroeg uit, wurmde mijn handen met moeite in twee verschillende zwarte handschoenen, hoewel ik wist dat ik dat beter had kunnen doen nadat ik dat rottige kleine fietssleuteltje uit mijn jaszak had gevist en op het stuur had gelegd, klaar om weg te fietsen richting behaaglijk bed, toen iets aan mijn mouw trok. Ik stond alleen op straat, althans, in mijn ooghoek zag ik een man met een hoed, leunend tegen de kerk met een sigaret tussen zijn vingers, maar verder was ik alleen. Ik keek om en zag een meisje. Een jaar of twaalf, donker haar en een pony, lichte ogen. Ze had een paarse jas aan. Een jas zoals ze die in dit land voor onze gure winters durven te maken: berekend op de herfst, op wollen truien eronder, in doodse, grauwe kleuren.

Snel zei ik “hallo”, want een kind op straat, even voor twaalven, daar zeg je wat tegen. Ik moet verbaasd naar haar hebben gekeken, ook al had ik alsnog vrij laat door dat dit een vreemde ontmoeting was. Een twaalfjarig meisje op straat, even voor twaalven, en ik groette haar. Alsof het niets was. Alsof ze niet allang in bed had moeten liggen. “Hallo daar, kan ik je misschien helpen?” was ook al niet het meest intelligente wat ik op die avond had gezegd, maar ik tastte in het duister. Ondertussen keek ik rond of ik een ongeruste moeder zag. Maar er was niemand behalve de man die verderop stond te roken en nu naar ons keek. Het was misschien wel om die reden dat het meisje een stukje naar voren boog en fluisterde: “Als je met me meegaat, breng ik je naar het mooiste feest dat je ooit zal meemaken”.

Op haar advies liet ik mijn fiets staan, tegen het gammele rekje bij de kerk, tegenover het café waar ik nog geen kwartier geleden gaapte en mijn vertrek had aangekondigd. Het meisje zou mijn licht bemoederende vragen op gewiekste wijze omzeilen, zoals meisjes dat kunnen, maar begon ook steeds meer uit zichzelf te praten. We moeten hier links, zei ze dan, of, we moeten sneller lopen, anders missen we het vuur. Het vuur. Voor het eerst in mijn leven liet ik me leiden door een kind dat op tijd wilde zijn bij een vuur. Wat me bezielde, weet ik niet. Af en toe keek ik achterom, maar dan voelde ik het weer zwaar worden bij mijn mouw.

We liepen door straten die ik dacht te kennen, door stegen die ik op een denkbeeldige kaart in mijn hoofd probeerde te vinden. Maar het was net als wanneer je iets kwijt bent; je ziet voor je waar het moet liggen, er al snel achter komend dat het een beeld is dat je zelf hebt verzonnen. De steegjes werden smaller en er verschenen trappen en grachten waar ik me toch echt pleinen met bomen herinnerde. Voordat ik er erg in had stonden we tegenover een oude herberg, mijlen verwijderd van de bewoonde wereld, zo leek. “We zijn er”, zei het meisje, dat Luna heette, vernoemd naar de maan, die ons al die tijd had vergezeld. Net als de man met de hoed overigens, die tegen de kerk tegenover het café had staan roken, maar daar kwam ik pas later achter. Ik moest bukken om de herberg binnen te komen, het deurtje was klein maar breed. Luna wees naar een kapstok, een hert met meer geweien dan ik op dat moment tellen kon, en riep iets wat ik niet kon verstaan.

Waar was ik, kon ik nog weg, was het wel veilig. Er spookte van alles door mijn hoofd. Ik was met een kind, dus moest het wel veilig zijn. Ik kon ook niet weg, want, ik kon haar toch niet alleen laten, in deze herberg waarvan de entree bestond uit een eindeloos gewei. Waar ik was, werd me duidelijk nadat Luna mijn hand vastpakte en het op een rennen zette. We renden door een lange gang vol lichtjes, onze wapperende haren horizontaal verlicht. De deur aan het einde van de gang ging vanzelf open, de mensen aan de andere kant keken om, weken uiteen en maakten een pad vrij zodat wij de zaal in konden lopen, verder naar voren. Ik voelde me bekeken, maar was niet meer bang. De mensen aan weerszijden van ons hadden versierde glazen in hun handen, gevuld met rode en roze vloeistoffen. Ze lachten, praatten en lieten ons voorbij gaan terwijl ze grote hoeveelheden poffertjes naar binnen werkten.

Luna trok me steviger mee, steeds verder naar voren, waar vanuit het niets een podium opdoemde. Ineens liet ze los, vooraan aangekomen, en ik bleef verschrikt staan. Keek om me heen. Het podium een meter voor mij, een paar honderd mensen achter mij. Ik zag Luna een paar seconden later op de verhoging voor me, samen met nog meer kinderen, sommige ouder, sommige jonger dan twaalfjarigen, en de groep werd groter totdat er een koor was gevormd. Geen paarse jassen, maar witte gewaden. Nu betrad ook een man het podium, de man die bij de kerk had gestaan! Hij deed zijn hoed af en pas toen herkende ik hem. De blonde acteur waar iedereen mee wegliep. Voordat hij zijn gitaar pakte gooide hij het stompje van zijn sigaret in de open ruimte in het midden van de zaal, waar als vanzelf een groot vuur oplaaide. De mensen met de versierde glazen kirden van genot. Luna zocht me op met haar ogen en knipoogde. Het was het mooiste feest van mijn leven en Dead Man’s Bones schreeuwde me liefdevol toe: “My body’s a zombie for you!”

Tags: , , , , , , ,

-->