nummer van 22/09/2011 door

‘Bring it on home to me’ van Sam Cooke

Zoals gespeeld op het allerbeste livealbum ooit

Sam Cooke – Live At The Harlem Square Club, 1963 – Bring It On Home To Me

Ik zal er geen doekjes om winden: Sam Cookes Live at the Harlem Square Club 1963 is het allerbeste livealbum ooit. Vroeger was dat wat mij betreft The Band met hun The Last Waltz, maar dat is een klein beetje valsspelen aangezien er op dat concert talloze gastartiesten langskomen die een groot deel van de plaat bepalen. Bovendien is drummer Levon Helm zelf ontzettend ontevreden over het album, dus wie ben ik om het de hemel in te prijzen? Ik doe het overigens alsnog hoor, en wat mij betreft is het dan in ieder geval nog het een-na-beste livealbum ooit. Maar goed, terug naar het allerbeste.

Het allerbeste livealbum ooit

Bruce Eder van Allmusic heeft het ooit al eens prima verwoord: “it’s one of the greatest soul records ever cut by anybody, outshining James Brown‘s first live album from the Apollo Theater and easily outclassing Jackie Wilson’s live record from the Copa.” Damn right. Live at the Harlem Square Club 1963 is rauw en direct en heeft alles wat een goed livealbum moet hebben. Je beleeft een broeierige sfeer met een ontembaar enthousiast publiek, dat op de juiste momenten hard meezingt, juicht, klapt of zelfs hoorbaar stampt op de muziek. Geen stadionrock, maar een kleine, zweterige soultent ergens in Harlem. Geen mens kan deze plaat aanhoren zonder te wensen erbij te zijn geweest.

De sound en de bezetting van Cookes band versterken het gevoel dat slechts minimale ingrediënten al genoeg zijn voor de avond van je leven. Vrij onconventioneel voor soulbands die later zouden volgen speelde Cooke deze avond met twee gitaristen, wat het geluid veel meer kracht gaf. Alsof dat nog niet genoeg was, was ook de blazerssectie ingericht op een flinke van-dik-hout-zaagt-men-planken-avond: twee saxofonisten. Verder niets. Geen subtiel trompetje, geen lekkere lage trombone, maar twee dezelfde snerpende blaasinstrumenten die er allebei volop voor gaan. Deze zegetocht was er een met voorbedachte rade. Alleen op papier al zou deze band energieker en lomper klinken dan het leeuwendeel van zijn tijdgenoten. En Sam Cooke zelf? Die geeft alles. Zijn stem klinkt grover dan je van hem gewend was. Ooit een typsiche fifties posterboy, maar hier te horen als een hardwerkende, harddrinkende volwassen man die hier op elk nummer van de plaat als een bezetene tekeer gaat. ‘Bring it on home to me’ is wat dat betreft redelijk inwisselbaar, maar een mens moet nu eenmaal kiezen en het intro alleen al is een goed argument om deze track te bombarderen tot nummer van de dag.

Mijn favoriete intro

Posterboy iemand?

Oh, dat intro. Johan had het eerder deze week al over zijn favoriete beginriff, maar mijn ultieme inleiding van een liedje begint gewoon met een verhaaltje. ‘Bring it on home to me’ op Live at the Harlem Square Club 1963 trapt af met ruim twee minuten aan geïmproviseerde gezelligheid van Cooke, waarbij je vooral hoort hoe ontzettend strak zijn begeleidingsband is. Of nou ja, strak en slordig tegelijk. Op iedere zin die hij uitkraamt reageren ze met een muzikaal antwoord. Niet allemaal tegelijk, maar de punch en overtuiging waarmee ze het geluid voortbrengen doet vermoeden dat ze kei- en keihard op elkaar ingespeeld zijn. Waarschijnlijk onder strenge leiding van bandnazi Cooke. De dialoog tussen Cooke en (zijn band) luidt als volgt:

Sometimes me and my baby (BAM)
We fuss and fight (BAM)
And my baby leave home (BAM)
Cause things ain’t right (BAM)
Hah hah hah…
Ohh but I get to feelin’ 
(wat gerommel)
So all alone
And I call my baby
On the telephone
I finally get somebody on the telephone
And I say “who is this?” 
(BAM)
Somebody says “this is the operator” (BAM)
I say “I don’t want you operator” (BAM)

En dan komt het:

I want my baaaaaaaabyyyyyyyy (Glorieuze aanslag van de hele band)
Ooooohhh operator I want my baaaabyyyyy  (En nog eentje)

Hoe komt ‘ie toch aan zo’n rauwe stem?

Nu vraag ik je: hoe vet? Heel vet. Je zal er maar bij zijn geweest. Sam maakt zijn verhaaltje af en de gitarist zet op 2:40 eindelijk het nummer in. Pam pam pam klats… en we zijn los. De drummer ramt op zijn ride of zijn leven ervan afhangt. Cooke gaat tekeer als een priester. Hij zet zijn gezongen zinnen kracht bij door er tussendoor schreeuwend op te reageren (“Don’t you know that I laugh – hah hah hah – when you laugh”). De saxofoons houden vooral lange tonen aan en fungeren hier louter als begeleidingsinstrument, als onderdeel van een wall of sound. Maar misschien nog wel het gaafste element van deze show is het publiek. Op verschillende punten hoor je ze duidelijk keihard meeschreeuwen (4:08: “Until I’m buried, buried in my grave”), wat Cooke alleen maar aanmoedigt om er zelf nog een schepje bovenop te doen (de geniale kreet “I don’t care who you was with” op 4:36, zoals alleen een zwarte man dat kan). Zo zingen ze elkaar naar een hoogtepunt. Op 4:48 moedigt Sam zijn publiek aan: “Let me hear you say yeah” en het publiek reageert met een “YEAH” die de microfoon wat doet overbelasten. En wederom hoor je stiekem dat de band hier streng op gedresseerd was: de drummer accentueert Cookes ogenschijnlijk geïmproviseerde aansporing precies op het ritme van zijn woorden. En toch klinkt dit nummer als een magisch moment dat geheel toevallig in die benauwde soultent in Harlem ontstond.[1] Dat is vakwerk. En zo creëer je het beste livealbum ooit.

  1. [1]Dit doet me denken aan een citaat van superslechterik M. Bison in de superslechte verfilming van Street Fighter (1994): “For you, the day Bison graced your village was the most important day of your life. But for me, it was… Tuesday.”

Tags: , , , , , , , , , , ,

-->