nummer van 13/10/2014 door

‘Thank God It’s Monday’ van NOFX

Begin de week goed, maak een taalgrap

NOFX – Thank God Its Monday

He gadverdamme, het is maandag. Werken. Gedoe. Het weekend had niet verder weg kunnen zijn. Ik weet dat je het denkt, het is niet erg origineel. Al zo ongeveer sinds het begin van opgenomen muziek maken liedjesschrijvers zich druk om die maandag, die keiharde realiteit na de zorgeloze vrije val die we het weekend noemen. T-Bone Walker zong in 1940 over een ‘Stormy Monday’, maar, om die gedemoniseerde eerste dag na het weekend niet meteen overal de schuld van te geven, voegde hij daaraan toe: “but tuesday’s just as bad.”

Voor Brenda Ann Spencer was de maandag zo ondraaglijk dat het haar aanzette tot één van de vele schietpartijen op scholen die Amerika al sinds de achttiende eeuw teisteren. In januari 1979 schoot de zestienjarige twee volwassenen, acht kinderen en een politieagent neer op de Grover Cleveland Elementary School. Haar reden: “I don’t like mondays.” Bob Geldof en zijn Boomtown Rats schreven later dat jaar het mooie ‘I Don’t Like Mondays’ over de gebeurtenis. Het luidde een decennium in waarin er bijzonder veel werd geklaagd over de maandag: in 1983 had New Order het over een ‘Blue Monday’ en drie jaar later beleefden The Bangles een ‘Manic Monday’.

NOFX. Punk, maar op gepaste momenten ontzettend melig

NOFX: Punk, maar op gepaste momenten ontzettend melig

Dat het frisse antwoord op al dit gezeur uitgerekend van een punkband moet komen, zal sommigen misschien verbazen. Het genre staat er tenslotte om bekend de meeste onderwerpen zonder schouderophalen te benaderen, op iedere slak zout te leggen, iedere steen om te draaien, alles los te rukken wat vastzit, geen argument onbenut te laten en andere clichés om te zeggen wat je allang snapt: als er ergens wat op aan te merken is, horen we dat meestal van de punkers. NOFX is daarop geen uitzondering: de band is niet zelden maatschappijkritisch en nam in 1999 met ‘The Decline’ zelfs een nummer van 18 minuten op omdat er anders niet genoeg maten waren om hun gal over te spuwen (toch nog een cliché gevonden). Voor al die kritische nummers heeft NOFX echter minstens zoveel liedjes met humor: een bizar soort mix van onderbroekenlol en taalgrapjes waar zelfs Seth Gaaikema zich voor zou schamen. Vooral het omdraaien van letters, woorden of tenminste de betekenis van woorden lijken de bandleden hilarisch te vinden, zeker wanneer de omdraaiing een heel nieuwe betekenis oplevert. Na meer dan dertig jaar is deze flauwe bron nog steeds niet uitgeput, kijk bijvoorbeeld eens naar de volgende album- en songtitels:

De hoes van Liberal Animation (1988)

De hoes van Liberal Animation (1988)

Punk In DrublicLiberal Animation! Gevoel voor grappige omdraaiingen heeft NOFX absoluut. Met ‘Thank God It’s Monday’ pogen ze iets anders om te draaien: je humeur. Een optimistische variant op de vele “Thank God it’s friday”-plaatjes die aan het eind van de week rondzwerven langs menig kantoor, e-mailbox of sociaal netwerk. Zanger Fat Mike beweert dat maandag zijn “favorite time of year” (haha!) is, vindt eigenlijk elke dag wel een feestdag, want hij is tenslotte muzikant en heeft niet zoveel te maken met de traditionele verdeling van vijf dagen werken en twee dagen ontspannen. Hij vindt het echte weekend zelfs een beetje vervelend, want dan is het altijd “sold out at the movies, can’t eat at the restaurants.” Goed, laten we niet teveel op de tekst van deze lofzang op het artiestenleven ingaan, want dan worden de kantoorslaven onder ons alleen maar nukkiger. Het refrein is in ieder geval aanstekelijk genoeg om er écht in te geloven: thank god it’s monday! Een nieuwe week! Zoveel mogelijkheden! Maak er wat van.

Tags: , , , , , , , , , , ,

nummer van 12/10/2014 door

‘It’s A Shame To Work On A Sunday’ van Marion Williams

Met dit liedje is werken op zondag geen ramp

Marion Williams – It's A Shame To Work On Sunday

Over geen enkele andere dag zijn zoveel liedjes geschreven als de zondag. Hoe dat kan? Met een klein beetje psychologie van de koude grond kom je al een heel eind. De betekenis van de zondag verandert je hele leven: van het verplichte familiebezoekje in je zondagse kleren tot die dag dat jouw kleinkinderen even langskomen. Tussen die twee zitten nog een hoop varianten op basis van leeftijd en levensstijl. Allemaal voer voor mooie liedjes.

Een zondagse kater

Neem dit nummer bijvoorbeeld. Johnny Cash beschrijft in ‘Sunday Morning Coming Down’ heel mooi die ochtenden dat je wakker wordt met een enorme kater. De knallende koppijn, het zoeken naar kleren die nog enigszins schoon zijn en de eerste ontmoeting met de buitenlucht die onwerkelijk aanvoelt. Dan een sigaret en het kijken naar de mensen die al echt iets van hun dag maken. Herkenbaar, toch?

Johnny Cash – Sunday Morning Coming Down

De rustige zondag

Als kind al, maar ook nu, hou ik van lange wandelingen op een zondag. Het klinkt ontzettend truttig, maar een groot deel van de NS-wandelingen (van het ene station naar het andere, voor mensen zoals ik die geen auto hebben) heb ik inmiddels al gedaan. Enkele van mijn favorieten zijn die van Santpoort-Noord naar Overveen door De Kennemerduinen, of die van van Bussum-Zuid naar Weesp door verschillende landgoeden en de Ankeveense plassen, en de wandeling die van én naar Station Assen gaat, via de hunebedden in Rolde. Nick Drake’s ‘Sunday’ is daar een perfecte soundtrack voor. De rust, mooie natuur, de opgewektheid en het comfortabele ritme doen me in alles denken aan zo’n wandeling.

Nick Drake – Sunday

Wentelteefjes op zondag

De mooiste zondagen zijn natuurlijk die onbezorgde uit je kindertijd. Dat je al om 6 uur ’s ochtends beneden zat in je pyjama met je lievelingsspeelgoed, -boek of te kijken naar tekenfilms op tv. Rond een uur of 7, half 8, kwam dan mijn vader beneden en als we geluk hadden maakte hij wentelteefjes en warme chocolademelk terwijl mijn zusjes en ik naar een Scandinavische kinderfilm keken.

.. to work on a Sunday

marion-williams-france-65

Ooooooooooooooh!

Maar vandaag geen wentelteefjes, geen wandeling, geen kater en geen kinderfilms in de vroege ochtend. In plaats van een lekkere zondag werk ik een dagje thuis [voeg technisch en saai verhaal in over upgrade van websites]. “It’s a shame to work on a Sunday”, zingt de bekende gospelzangeres Marion Williams.

Williams is lang niet zo bekend als bijvoorbeeld een Aretha Franklin of Sister Rosetta Tharpe. Dat is eigenlijk pas a shame. Haar stem is namelijk echt fantastisch. Een bereik waar veel mensen jaloers op zijn, een kracht die luisteraars angst inboezemt, en een verschijning – handen in de heupen en zingen maar – die dat alles nog eens versterkt.

Williams, geboren in 1927 in Miami, kwam uit een arme en streng-christelijke familie. Ze moest op jonge leeftijd school verlaten om samen met haar moeder in de wasserij te werken om de kost te verdienen. Dat ze vroegtijdig van school moest, bleef haar haar hele leven bij. Daarom haalde ze op 60-jarige leeftijd alsnog haar college degree.

Trouw aan gospel

De muzikale carrière begon min of meer per toeval. Op 19-jarige leeftijd werd ze ontdekt door gospelzangeressen Clara en Gertrude Ward. Williams werd een van The Famous Ward Singers. Dit was haar opstapje naar een rijke solocarrière. Ondanks dat haar vaak geadviseerd werd om andere wegen in te slaan naar populairdere genres, want dat zou haar meer bekendheid opleveren, bleef Williams de gospel haar hele leven trouw.

Vandaag galmt dit nummer de hele tijd door mijn hoofd. “It’s a shame to work on a Sunday”, zingt ze nog eens op daverende en gebiedende wijze. Niet echt, antwoord ik haar in gedachten, en al helemaal niet als ik dit soort muziek kan luisteren.

Tags: , , , , , ,

nummer van 11/10/2014 door

‘Don’t Care’ van Obituary

Geitenwollensokkenmetal

Obituary – Don't Care (official Music Video)

Milieubewust en onbaatzuchtig. Je kan het je haast niet voorstellen van de band die mede het death metal-genre bepaalde in de vroege jaren 90. Hun doorbraakalbums Slowly We Rot en Cause Of Death brachten de band naar de top van een genre wat nou niet echt bekend staat om fijngevoelige teksten. Het was bloed, dood, gore en satan wat de klok sloeg. Obituary was daarop geen uitzondering, zoals je kunt merken wanneer je de teksten van eerder genoemde platen erop naslaat. ‘Stinkupuss’ van het debuutalbum Slowly We Rot is zo’n tekstuele parel:

Here.
Lie alone.
Death will come to rot your soul.
Glories leaving you at the plow.
Rotting.

Zwerfkatten

Met teksten die doen vermoeden dat ze geschreven werden door harde, duistere en ruige mannen is het wellicht verbazingwekkend dat juist deze band verbonden is met het meest vertederende stukje metalnieuws wat de afgelopen jaren bij mij is blijven hangen. Drummer Donald Tardy zet zich namelijk in voor de straatkatten in Tampa, Florida. Tardy ontfermt zich over de duizenden straatkatten door hen eten te geven, te vangen om te steriliseren of te castreren, te laten adopteren of hen van veterinaire hulp te voorzien. De naam van dit prachtige initiatief? Metal Meowlitia! Lief en daadkrachtig!

542069A8-obituary-discuss-new-album-songwriting-cycle-touring-and-more-audio-interview-streaming-image

Milieubewust

De band schudde echter al eerder de death metal-clichés van zich af door met het nummer van de dag op de proppen te komen. De opener van de plaat World Demise uit 1994, met een door muziekzender TMF regelmatig uitgezonden videoclip, is een aanklacht op de mens die de wereld ernstig vervuilt. Een boodschap die, in elk geval in mijn ogen, veel angstaanjagender en dringender is dan de mogelijke komst van de Antichrist of een naderende zombie-uitbraak.

Nu waren de mannen van Obituary niet de eerste Floridianen die zich zorgen maakten om het milieu. In 1976 verscheen Lynyrd Skynyrds album Gimme Back My Bullets met de schitterende ballad ‘All I Can Do Is Write About It’ waarin Ronnie Van Zandt zingt over het oprukkende asfalt en het daarmee samenhangende gevaar voor de mooie natuur in Dixie. Hij schreef het in een tijd waarin steden in het Zuiden door de opkomende industrie zich in rap tempo uitbreidden, wat grote gevolgen had en heeft voor mens en dier en natuur in de omgeving.

Lynyrd Skynyrd – All I Can Do Is Write About It

Milieubewustzijn en onbaatzuchtigheid. Fijne ingrediënten voor gave muziek. Al mag er van mij ook over ingewanden, de Apocalyps en andere, gezellige onderwerpen gegorgeld worden.

Tags: , , ,

nummer van 10/10/2014 door

‘Jóga’ van Björk

Onvermurwbaar natuurschoon

Komende maandag zendt de VPRO de laatste aflevering uit van Top of the Lake, de zesdelige miniserie uit 2013 die in datzelfde jaar al werd uitgezonden door de BBC. De serie speelt zich af in Laketop, een plaatsje aan een groot meer op het Nieuw-Zeelandse Zuidereiland, omgeven door immense bergen en lege heidevlaktes. Het verhaal begint op het moment dat we de twaalfjarige Tui Mitcham het ijskoude water in zien lopen. Nadat ze is gered, wordt ze onderzocht en blijkt ze al vijf maanden zwanger te zijn. Ondertussen is Robin Griffin, een politieagente uit Sydney, op bezoek bij haar zieke moeder in Laketop. Ze krijgt Tui aan het praten, maar kort daarna verdwijnt het meisje. Robin (een mooie rol van Elizabeth Moss, Peggy Olson in Mad Men) stort zich vol overgave op de zaak en duikt en passant nog wat pijnlijke geheimen op uit haar verleden. Het beklijvende misdaaddrama, zoals de serie van regisseur Jane Campion (The Piano, 1993) werd genoemd, zit vol boeiende thema’s, waarvan de archetypische krachtmeting tussen de mannelijke en vrouwelijke psyche een van de meest interessante is.

Muziek speelt ook een bijzondere rol in de serie. Over het geheel genomen zijn de scènes uitgerust met soundscapes, die in het verlengde staan van het uitgestrekte landschap; de diepte van het meer, de oneindige bossen, de overweldigende bergtoppen die alle gebeurtenissen overzien. Als er al een instrument klinkt, of een stem, dan hoort deze bij één van de personages. Bij Melissa, meer specifiek, de dochter van de vrouw die een stuk land kocht aan het meer, genaamd ‘Paradise’, en daar met een Amerikaanse goeroe en een stel beschadigde vrouwen bivakeert. Hoewel het gezelschap eigenaardig overkomt, en iets representeert wat je nooit eerder op televisie zag, werkt Melissa’s aanwezigheid, rondzwervend met haar elektrische gitaar en versterker, vreemd genoeg ontnuchterend. Toch wordt het meest dramatische moment van de serie – in de aflevering die afgelopen maandag uitgezonden werd door de VPRO – ingelijst door Melissa’s prachtige spel en zang. Wat ze doet klinkt zo goed dat je je afvraagt of het meisje dat Melissa speelt daadwerkelijk een muzikant is. En jawel: Melissa wordt gespeeld door de 21-jarige Georgi Kay, een Australische singer-songwriter. Het liedje dat ze covert is een van Björks meest aangrijpende nummers, ‘Jóga’, en het is vooral de samenzang vanaf 00:34 waarmee Georgi indruk maakt en die zo mooi aansluit bij de mysterieuze sfeer van Top of the Lake (niet kijken als je niet van spoilers houdt).

Homogenic, het vierde studioalbum van Björk uit 1997.

Björk schreef ‘Jóga’ als ode aan IJsland, zoals Homogenic (1997), het album waar het nummer op staat, eigenlijk een complete ode is aan haar thuisland. Net als Nieuw-Zeeland ook zo’n land dat wordt gekenmerkt door onvermurwbaar natuurschoon. De bizarre mix van elektronische beats – het ritme van het vulkanische IJsland – en het klassieke strijkarrangement biedt de perfecte ondersteuning voor Björks stem, nog altijd een mengeling van dat gekke accent, totaal inlevingsvermogen en onmiskenbaar krachtige uithalen. Het zijn die uithalen die onder je huid kruipen, waar je voor buigt, die in combinatie met de tekst –”Emotional landscapes, they puzzle me, then the riddle gets solved, and you push me up to this” – de dynamiek en schoonheid van het liedje bepalen. Hoe goed juist dit nummer, qua tekst en muziek, zeker ook in de versie van Georgi Kay, past bij het drama in het Nieuw-Zeelandse Laketop, moet je vooral met eigen ogen zien.

Tags: , , , , , , , , ,

nummer van 09/10/2014 door

‘Takeover’ van Jay-Z

De meeste diss tracks hebben één vast ingrediënt

Je zou het bijna missen door al het nieuws over ebola, ISIS, Rusland en de drie Sinterklaasfilms die deze herfst verschijnen. Maar Mark Kozelek, die dit jaar als Sun Kil Moon het schitterende Benji uitbracht, heeft een diss track opgenomen: ‘War On Drugs: Suck My Cock’ heet die. Het is uiteraard een diss naar The War On Drugs, die toevallig ook dit jaar een geniale plaat uitbracht, Lost In The Dream. Waar het om ging? Heel kort:

  • Kozelek treedt ergens op een buitenfestival op;
  • The War On Drugs ook;
  • op hetzelfde tijdstip;
  • Kozeleks zachte akoestische muziek wordt iets overstemd door het geluid van The War On Drugs;
  • Kozelek pissig;
  • maakt een paar flauwe grappen;
  • The War On Drugs reageert niet echt, behalve een tweet waarin de band vraagt of het klopt dat Kozelek aan het zeiken was;
  • Kozelek is weken later nog steeds pissig;
  • schrijft een liedje over dat The War… his cock mag sucken;
  • dat wordt een beetje nieuws;
  • zelfs NRC schrijft er een uiterst belabberd kutstuk over en plaatst het op de website.

Maar een diss track is pas écht een diss track als het pijn doet. Ik kan me niet voorstellen dat iemand in TWOD echt van zijn stuk is gebracht door ook nog eens redelijk slechte nummer van de al 47-jarige Kozelek.

Get In The Ring

De eerste diss track die ik hoorde, is ‘Get In The Ring’ van Guns N’ Roses. Axl Rose noemt in dat nummer de namen van journalisten waar hij boos op is, omdat ze iets slechts over zijn band hebben geschreven. Rose is op zijn tenen getrapt en die, bewijst de geschiedenis, zijn heel erg lang. Misschien niet helemaal toevallig, maar ook hier mogen de boosdoeners aan een cock komen sucken. Het stukje begint op 2:50.

Guns n Roses – Get In the Ring

How Do You Sleep

Diss songs kennen we voornamelijk van hiphopartiesten. Maar ook in de jaren zeventig bestaan ze al. Neem deze van John Lennon, ‘How Do You Sleep’. Nadat de Beatles uit elkaar gaan, is het een publiek geheim dat het eens zo magische muziekduo Lennon en McCartney elkaar voortdurend voor rotte vis uitmaakt. Achter elkaars rug, maar ook gewoon tegen elkaar via de telefoon. McCartney was de eerste die subtiel zijn boosheid uitte via het liedje ‘Too Many People’. Lennon pakt hem terug in ‘How Do You Sleep': “Those freaks was right when they said you was dead / The only thing you done was Yesterday.”

How Do You Sleep? (original album) / John Lennon

You Oughta Know

Wat ik ook een leuke vind, is de hitsingle ‘You Oughta Know’ van Alanis Morissette. Niet omdat ik het zo’n mooi liedje vind, verre van, maar vanwege degene die gedisst wordt. Nou vind ik dit trouwens niet een diss track bij uitstek. In een echte moet op zijn minst de verwijzing naar de artiest of persoon duidelijk zijn. Maar goed.

In het nummer geeft Morissette ‘een’ ex-vriendje er flink van langs. Er is lang gespeculeerd over wie nou die vent die was die haar als een zootje achterliet met een flink kruis om te dragen. Grappigste is dat er wel eens gezegd werd dat het Joey uit Friends was. Maar die is het niet. Het is een andere Joey, een oude held uit de tijd dat Bob Saget nog de perfecte schoonzoon slash vangst voor oudere vrouwen was. Uncle Joey uit Full House. Niet Joey maar Joey dus. Ik weet dit nog niet zo lang en ik vind grappig dat Uncle Joey op deze manier weer even onder de aandacht is bij mij.

Een bonus in dit liedje is dat ook hier wordt verwezen naar iets met cock en sucking. Morissette vraagt in het nummer: “Is she perverted like me? / Would she go down on you in a theatre?” Jaja.

Alanis Morissette – You Oughta Know (Video)

Een andere mooie en wat oudere muzikale vete, is die tussen Neil Young en Lynyrd Skynyrd: een Canadees versus hillbillies. Gijs schreef daar al eens uitgebreid over.

Gay-Z

Maar de beste diss tracks worden gemaakt door hiphopartiesten. Daar kunnen we kort over zijn. Er zijn legio voorbeelden. ‘Hit Em Up’ van 2Pac is wel een van de grofste. Hij geeft daar zijn voormalige makker The Notorious B.I.G een veeg uit de pan door te vertellen hoe hij het met B.I.G’s vrouw deed. Ongepast grof.

De mooiste vete die op muziek is gezet, vind ik die tussen Jay-Z en Nas. Het was een lange ruzie die zijn oorsprong ergens begin jaren 90 kent, maar uitbarst in de 2000’s. Wat nou de reden is? Een hoop dingen, maar uiteindelijk willen ze domweg allebei laten zien wie beter en belangrijker is.

Jay-Z (l) en Nas. Inmiddels zijn de mannen weer vrienden

Jay-Z (l) en Nas. Inmiddels zijn de mannen weer vrienden

Het leverde twee fantastische liedjes op, ‘Takeover’ van Jay-Z en ‘Ether’ van Nas. Het vergt veel uitleg over de ruzie, maar Jay-Z verwijt Nas in ‘takeover’ dat hij bijvoorbeeld maar één goede plaat heeft gemaakt in tien jaar (Illmatic, 1994). En dat hij inderdaad een sample uit een Nas-liedje heeft gebruikt: “So yeah I sampled your voice, you was usin’ it wrong / You made it a hot line, I made it a hot song.”

Sowieso leende Jay-Z wel vaker stukken tekst van anderen, van B.I.G. bijvoorbeeld zoals Gijs in dit artikel beschrijft.

Nas op zijn beurt: “When these streets keep calling, heard it when I was sleep / That this Gay-Z and Cockafella Records wanted beef.” En natuurlijk, als uitsmijter: “Dick sucking lips.” Want een goede diss kan niet zonder wat cock sucking.

Tags: , , , , , , , , , , , , ,

nummer van 08/10/2014 door

‘Roygbiv’ van Boards of Canada

Net als vroeger voor de tv

boards of canada – roygbiv

In 2013, ter gelegenheid van de derde plaat van Boards of Canada, sprak journalist Louis Pattison van The Guardian met de broers Michael Sandison en Marcus Eoin:

I’ve read the Jaron Lanier book that you mention, which I thought was fascinating – I think one of the bits that’s stuck with me, and would also seem to be relevant to the way you work, is his concept of design “lock-in”, where keeping up with new technology actually ends up shepherding the creation process along quite restrictive lines.

Sandison: “I absolutely agree with that. Modern technology often gives an illusion of empowerment while in reality it’s increasingly all about removal of liberty, and homogenising the user base.”

Ik heb het boek van Lanier niet gelezen, maar weet aan de hand van deze beschrijving genoeg om iets te begrijpen over de muzikale visie van de twee broers van Boards of Canada. Laniers kritiek op de sturende werking van nieuwe technologieën is zo’n beetje de essentie van Boards of Canada’s werkwijze, in die zin dat de band er alles aan doet daar níet in mee te gaan.

Voor Boards of Canada (vaak afgekort tot BoC) gaat het altijd om het teruggrijpen op het verleden. In eerdere bands speelden de broers nog post-punk, new wave en industrial, maar dat was niet waar hun hart lag. Het waren de late jaren 90 en dancemuziek was inmiddels al hevig opgekomen, tot aan de pijnlijke extremen van eurohouse toe. Michael en Marcus hadden het gevoel dat al het goede van elektronische muziek uit de jaren 70 en 80 vergeten werd en niemand het gat opvulde tussen mooie melodieën en elektronische lagen. Dan moesten zij het maar doen. Hun voorliefde voor jaren 70 soundtracks en andere referenties aan dat decennium vond in deze muziek eindelijk een plek.

Inmiddels staat Boards of Canada synoniem voor samples uit vergeten televisieseries, vervormde audiofragmenten en het omarmen van de ruis die gepaard gaat met de slijtage van verouderd materiaal. De voorliefde voor ouderwetse hardware gaat ver: zonder aarzeling reizen de broers honderden kilometers om een afgetroggeld instrument te bemachtigen – dat éne specifieke, gedateerde geluid – om het vervolgens maar één seconde op een plaat terug te laten komen. Toch draagt het allemaal bij aan het eindresultaat: een plaat van Boards of Canada klinkt als een droom waarin jeugdherinneringen zich vermengen met allerlei spacey verzinsels van lachende kinderstemmetjes, doffe synthesizers en jingle-achtige intermezzo’s. Wanneer ik luister naar Boards of Canada, voel ik een warme en tegelijkertijd trieste nostalgie voor de jaren 70. Klein detail: ik was toen nog niet geboren.

Er is iets intrigerends aan het gegeven dat de twee broers, via muziek, herinneringen ophalen uit hun jeugd. Meer dan dat: de muziek van Boards of Canada lijkt die voorbije tijden te verheerlijken. Toen Michael en Marcus als kleine jongetjes samen tijd doorbrachten voor de televisie, kijkend naar de documentaires uitgezonden door de National Film Board of Canada, hadden ze nog geen idee dat ze hun muzikale identiteit later naar die momenten zouden vernoemen. Ze zijn trouw gebleven aan hun jongere zelf.

Tags: , ,

nummer van 07/10/2014 door

‘The Birds Of St. Marks’ van Jackson Browne

Een nummer dat 47 jaar op de plank lag

Wat is de overeenkomst tussen Steven Tyler, Alice Cooper, Robert Plant, Cat Stevens, Jimmy Cliff, Stevie Nicks en Jackson Browne? Ze zijn allemaal geboren in 1948 en van de meesten liggen de muzikale hoogtepunten al weer enkele jaren achter ons. Alleen is er wat dat laatste betreft een uitzondering in het rijtje: Jackson Browne, die deze week met Standing In The Breach zijn veertiende studioalbum uitbrengt.

Tijd voor pensioen?

In een eerder stuk over Jackson Browne nam ik me nog voor mijn veel te kleine collectie platen van Browne uit te breiden. Dat is sindsdien behoorlijk gelukt, al ligt het zwaartepunt ervan wel duidelijk in de jaren zeventig. Tegelijkertijd was dat natuurlijk ook zijn meest productieve periode en heeft hij het sindsdien behoorlijk wat rustiger aan gedaan. Niet alleen wat betreft het aantal albums dat hij uitbracht, maar ook muzikaal gezien. Kwalitatief allemaal platen waar niets op aan te merken valt, maar zijn spannendste werk vind je zeker niet na de seventies.

Als je zelfs al wordt geëerd met een prachtig tribute album waarop onder meer Don Henley, Bruce Springsteen en Lucinda Williams meewerken, dan zou je bijna al kunnen denken aan een carrière die rustig op zijn einde loopt. Maar opvallend genoeg komt Browne in hetzelfde jaar als dat eerbetoon met een van zijn sterkste platen sinds tijden, die zelfs aan het niveau van zijn werk uit die vroege jaren zeventig raakt.

Bedoeld voor The Byrds

Wat betreft openingsnummer ‘The Bird Of St. Marks’ is dat ook niet zo heel gek, want Browne schreef het nummer al in 1967. Hij woonde destijds in New York, was platzak en haalde net op tijd een klus binnen als gitarist in de band van Nico, zo vertelde hij onlangs aan Rolling Stone. Het nummer was geïnspireerd door het gitaarwerk van Jim McGuinn van The Byrds en de toen achttienjarige Browne hoopte de bandleden nog eens zover te krijgen dat ze het nummer met hem zouden opnemen.

Jackson BrownDat gebeurde niet. Wel speelde hij het heel af en toe live en is het nummer te horen op zijn live-album Solo Acoustic Vol. 1, maar een studioversie was er nog niet. Deels kwam dat volgens Browne omdat hij nooit precies wist hoe het nummer nou het best gespeeld kon worden. De puzzelstukjes vielen onder meer op hun plaats door Greg Leisz, de gitarist met wie hij al sinds de jaren negentig samenwerkt. Daarnaast vertelde David Crosby hem tijdens het schrijven van de plaat een paar geheimen over hoe The Byrds destijds hun harmonieën in de studio opnamen.

Geen speld tussen te krijgen

Natuurlijk een mooi verhaal en bovenal een geweldig nummer om je plaat mee te beginnen, maar gelukkig blijft ook daarna de lat hoog liggen. In het opvallend catchy ‘Yeah Yeah’ bijvoorbeeld, dat hij opnam met de gebroeders Goldsmith van Dawes. Of dankzij de sublieme lap steel in nummers als ‘Leaving Winslow’ en ‘Which Side’. Maar wat vooral bijblijft van het luisteren naar Standing In The Breach is de rust en het gemak waarmee Browne op zijn 66e nog muziek maakt. Zijn stem nog altijd volledig onder controle, fantastisch gitaarspel en tien steengoede nummers waar geen speld tussen te krijgen is.

Tags: , , , , , , , , , , , , , ,

-->