nummer van 16/05/2013 door Johan Vogels

‘Shut Up’ van Savages

Wrong place, wrong time

Er was wat te kiezen gisteravond in Amsterdam als je van indie- en gitaarmuziek houdt. Allah-Las speelde een gratis show in Club Ziggo tegenover de Arena (waar Chelsea diezelfde avond de Europa League won). In de bovenzaal van Paradiso kon je naar Veronica Falls gaan kijken. En iets verderop, in de Melkweg, maakte Savages haar opwachting.

De overweging zou een stuk makkelijker worden als ik had besloten naar het Leidseplein te gaan. Eerst Veronica Falls in Paradiso en daarna Savages in de Melkweg zou makkelijk te combineren zijn. Maar Veronica Falls had ik al een keer gezien, Allah-Las niet en die staat weliswaar eind deze maand in de Melkweg, maar dat optreden is al een tijdje uitverkocht.

Savages in Brooklyn

Savages in Brooklyn

Dus bleef Allah-Las versus Savages over. Ik heb die Allah-Las-plaat een tijdje geleden helemaal grijsgedraaid, hem daarna een tijdje opgeborgen, om het album vorige week weer tevoorschijn te halen om mezelf op te warmen voor deze show. Hoewel ik in eerste instantie de plaat helemaal beu was – wel erg zoetsappig en veel herhaling wat betreft ideeën – genoot ik er vorige week weer met volle teugen van. Ik wilde ze graag zien.

Rumoer

Savages daarentegen vond ik maar moeilijk in te komen. In mijn omgeving zwol het rumoer rondom deze band de afgelopen weken aan. Iemand tipte de muziek, een ander zei dat het de beste band was die hij op Into The Great Wide Open had gezien, Pitchfork gaf de meest recente plaat een 8,7 en maakte een spectaculaire cover story (met bewegende beelden en alles). Ondanks dat ik een kritische houding tegenover Pitchfork toejuich, weet bijna iedereen dat je even moet opletten als dit gebeurt met een relatief jong en onbekend bandje. Dus ik ging het luisteren, om zo tot een keuze te komen wat ik met mijn woensdagavond zou gaan doen.

Savages-Silence-Yourself-608x608In de kleine heisa omtrent Savages, had ik eigenlijk nog niet de moeite genomen om me echt in te lezen. Eerlijk gezegd dacht ik dat het om hippe en poppy gitaarmuziek zou gaan. Zo’n bandje dat het leuk vindt een ruige naam aan te nemen om het contrast met de muziek te vergroten. Ironisch, ofzo. Ik was dan ook licht verbaasd toen de muziek een donkere, verbeten, hectische, dramatische en wilde new wave bleek. Met van die nummers die pijnlijk abrupt variëren tussen couplet en refrein.

Daarnaast had ik wel veel sympathie voor de vier vrouwen uit Londen. Tijdens eerdere optredens deden ze een beroep op het publiek om hun telefoons in hun broek te laten zitten, zodat ze niet de halve avond naar de voorkant van mobieltjes staan te kijken, maar ook de gezichten van de toeschouwers kunnen zien. En ze hadden een soort van ‘filosofie’: muziek gebruiken om onze levens anders te ervaren. Dit kon heel veel verschillende kanten op, ging het door mijn hoofd: pretentieus, rammelig, een zootje, te hip. Maar met de drive van deze band en het juiste moment zou het ook geweldig kunnen worden. Moeilijk.

Indrukwekkend

Live

Live

Ik vond het interessant, maar uiteindelijk koos ik toch voor de gratis show van Allah-Las in Ziggo Dome. Ik wilde die band toch eens zien. Daar kreeg ik iets langer dan een half uurtje een redelijk ongeïnspireerd optreden voor mijn kiezen dat gemankeerd werd door technische probleempjes (nare piepen, uitvallende monitoren, een band die daarover klaagt). Op de terugweg greep ik naar mijn telefoon om te zien of mijn vrienden die naar Savages gingen al iets hadden gezegd over die show. Ik heb hun mening erg hoog zitten en was benieuwd naar hun ervaringen. Terwijl ik achter mij hoorde dat er in de Arena werd gescoord, las ik van een van mijn vrienden: ‘Savages heel erg goed’. Iemand anders schreef: ‘Eén woord: indrukwekkend.’ Het gejuich hield aan, het waren de Engelsen. Ik was op de foute plek op het foute moment geweest.

Tags: , , , , ,

nummer van 15/05/2013 door Gijs Wilbrink

‘Today Was A Good Day’ van Ice Cube

Wanneer was die dag nou precies?

Anouk en staatssecretaris Weekers kunnen het erover eens zijn: gisteren was het een goede dag. Als we Ice Cube moeten geloven, heeft hij ooit ook tenminste één goede dag gehad, hoewel dat niet van zijn stalen gezicht in de videoclip af te lezen valt. Het zal wel een gangsta-ding zijn, rappen over een goede dag zonder ook maar één glimlach te laten zien. Maar wanneer speelde Ice Cubes goede dag zich eigenlijk precies af? Dat vroeg blogger Donovain Strain zich vorig jaar nou ook af, en hij kwam dankzij Ice Cubes eigen songtekst en een bijna NCIS-achtige onderzoeksdrift met een antwoord:

CLUE 1:
“Went to short dogs house, they was watching Yo MTV RAPS”
Yo MTV RAPS first aired:
Aug 6th 1988

CLUE 2:
Ice Cubes single ‘Today Was A Good Day’ released on:
Feb 23 1993

CLUE 3:
”The Lakers beat the SuperSonics”
Dates between Yo MTV Raps air date AUGUST 6 1988 and the release of the single FEBRUARY 23 1993 where the Lakers beat the SuperSonics:
Nov 11 1988     114-103
Nov 30 1988    110-106
Apr    4 1989    115-97
Apr  23 1989    121-117
Jan  17 1990     100-90
Feb  28 1990    112-107
Mar  25 1990    116-94
Apr  17  1990    102-101
Jan  18  1991     105-96
Mar  24  1991    113-96
Apr  21  1991     103-100
Jan  20  1992    116-110

CLUE 4:
Dates of those Laker wins over SuperSonics where it was a clear day with no smog:
Nov 30 1988
Apr 4  1989
Jan 18  1991
Jan 20  1992

CLUE 5:
“Got a beep from Kim, and she can fuck all night”
Beepers weren’t adopted by mobile phone companies until the 1990s. Dates left where mobile beepers were availible to public:
Jan 18 1991
Jan 20 1992

CLUE 6:
Ice Cube starred in the film Boyz In The Hood that released late Summer of 1991, but was being filmed mid-late 1990 early 1991 and Ice Cube was busy on set filming the movie Jan 18 1991 too busy to be lounging around the streets with no plans. Ladies and Gentlemen, the ONLY day where:
- Yo MTV Raps was on air
- It was a clear and smogless day
- Beepers were commercially sold
- Lakers beat the SuperSonics
- And Ice Cube had no events to attend was…

JANUARY 20 1992.

Briljant. Strain roept de dag voor het gemak meteen maar uit tot National Good Day Day. Met zo’n vondst heb je alle recht, toch? Blogger Pandemonium dacht daar anders over. Piepers waren in 1988 al beschikbaar, beweert hij. Dat feit, samen met nog wat ander bewijs, maakt dat National Good Day Day eigenlijk op 30 november 1988 was. Klein detail: Ice Cube heeft het in zijn liedje over een vrijdag, maar de dag van Pandemonium is een woensdag. Verwarring alom.

Gelukkig was het online magazine Moviefone zo slim om de rapper zelf te vragen naar de exacte dag dat hij zich nu zo goed voelde. Hoewel, zo heel gelukkig hoeven we niet met zijn antwoord te zijn. Als een ouderwetse party pooper maakt Ice Cube een eind aan de discussie:

It’s a fictional song. It’s basically my interpretation of what a great day would be. Do you know what I’m saying? So, you know, it’s a little of this and a little of that. I don’t think you can pinpoint the day.

Arme Ice Cube. Hij weet precies te omschrijven welke ingrediënten nodig zijn om een goede dag te beleven, maar toen op maar liefst twee dagen in de geschiedenis alles precies op zijn plek viel, had de beste man zelf niets door. Tragisch. Gelukkig hebben we altijd de internet meme nog.

Ice Cube meme

Tags: , , , , , ,

nummer van 14/05/2013 door Martijn Koetsier

‘Renegade’ van Thin Lizzy

Een zoektocht die nooit eindigt

Toen ik bijna twee jaar geleden werd gevraagd om voor dit blog te schrijven, was mijn eerste voornemen om een stuk over Thin Lizzy te schrijven. Over welk nummer wist ik nog niet precies, maar dat er aandacht moest worden besteed aan één van mijn favoriete bands stond voor mij vast. Ondertussen zijn we twee jaar verder en is Arja me al deels voor geweest met een prachtig verhaal over Phil Lynott. Eigen schuld, had ik maar eerder moeten kiezen. Want dat het zolang heeft geduurd voor ik iets schrijf over mijn Ierse rockhelden is eigenlijk vooral te wijten aan eindeloos wikken en wegen.

Thin Lizzy - Phil LynottKeuzes, keuzes, keuzes …

Moest ik iets gaan schrijven over ‘Emerald’, het nummer waardoor ik ooit echt goed naar Thin Lizzy ben gaan luisteren nadat ik Mastodon het live hoorde spelen? Of over megahit ‘The Boys Are Back In Town’? Misschien wat te voor de hand liggend, dus wellicht één van de nummers waarop gitaristen Scott Gorham en Brian Robertson voor het eerst hun onsterfelijke twin leads speelden zoals ‘Suicide’ of ‘Wild One’. En dan heb je natuurlijk ook nog albums als Bad Reputation, waarvan alleen de A-kant al uitsluitend kandidaten voor een nummer van de dag bevat.

Hier ging ik niet uitkomen, dus besloot ik me voor een frisse blik juist eens te richten op de albums van Thin Lizzy die ik het minst luisterde. Van de eerste twee, Thin Lizzy (1971) en Shades Of A Blue Orphanage (1972), wist ik al vrij snel waarom dat ook al weer zo was. Te veel folkinvloeden, slechte opnames, niet te volgen psychedelische intermezzo’s en vooral een algeheel gebrek aan visie. Evenmin als de eerste twee platen van Thin Lizzy draai ik ook de laatste twee nauwelijks. En gek genoeg wisten die me na al die jaren ineens een stuk meer te boeien.

Kort door de bocht: van Renegade uit 1981 stond de gladde productie me maar niks aan en van de lege spierballensound op het in 1983 uitgebrachte Thunder And Lightning wilde ik eigenlijk ook niks weten. Jaren later zijn ze nog steeds geen favorieten, maar kan ik ze wel veel beter aanhoren. Dat komt vooral door het lezen van de biografie Thin Lizzy, geschreven door Alan Byrne. Eerlijk gezegd een nogal taai boek, maar wel boordevol interessante achtergrondinformatie waarmee deze twee laatste albums voor mij een stuk beter te begrijpen zijn.

Thin Lizzy - RenegadeDe weg kwijt

Zoals bijvoorbeeld bij Renegade, het een-na-laatste album van Thin Lizzy voordat de band in september 1983 uit elkaar ging. Nadat Lynott in 1981 een succesvolle soloplaat had uitgebracht was het tijd om Thin Lizzy weer op de kaart te zetten. Het aanvankelijke succes in Amerika was tanende en eigenlijk had niemand een idee waar het met de band naartoe moest. Sterker nog, niemand wist eigenlijk of er gewerkt werd aan een nieuw album van Thin Lizzy of een volgende soloplaat van Lynott.

Om de moraal weer wat op te krikken en aandacht op de band te vestigen werden er wat shows geboekt.  Op de agenda stonden onder meer de kolossale National Bowl in Milton Keynes in Engeland en een pracht van een thuiswedstrijd in het Ierse Slane Castle, waar Thin Lizzy het eerste festival ooit op die inmiddels legendarische plek zou headlinen. Helaas werd het concert in Milton Keynes een ramp. Het stadion met een capaciteit van 65.000 toeschouwers verwelkomde nog geen 10.000 fans, die vervolgens in de stromende regen een waardeloos concert aanschouwden dat voornamelijk te wijten was aan Lynotts beschonken toestand.

Thin Lizzy Slane CastleEen wankele balans

Het concert in Slane Castle werd gelukkig een groter succes. In een poging om voorprogramma en steeds populairder wordende stadsgenoten U2 af te troeven werd er een helikopter gehuurd waarmee Thin Lizzy een onvergetelijke entree zou maken. Terwijl het voorprogramma nog speelde kwam Thin Lizzy met de helikopter aangevlogen, zo laag dat het publiek met gemak de breed grijnzende Lynott kon zien, twee vuisten in de lucht en klaar om het kasteel te veroveren. Met een publiek dat voor aanvang al gek van opwinding was, kostte het Thin Lizzy geen enkele moeite het amfitheater plat te spelen.

Dat gebrek aan balans, dat intensief heen en weer sloeg tussen ellende en groot succes, was tekenend voor Thin Lizzy in die periode. Muzikaal was de eenheid in de band zoek en ook Lynotts problemen met drank en drugs hielpen niet echt. Een van de positievere momenten in deze periode was de samenwerking met gitarist Snowy White. Die had zich als nieuwkomer op het album Chinatown (1980) al bewezen als een aanwinst en kreeg op Renegade een nog grotere rol als songwriter toebedeeld.

Het eeuwig dwalende jochie

De inspiratie voor het titelnummer en daarmee ook de titel voor de plaat kreeg Lynott toen hij uit pure frustratie de studio maar weer eens verruilde voor de kroeg. Hij zag op straat een jochie fietsen met een spijkerjack waarop het Thin Lizzy-logo geborduurd was met daaronder het woord renegade geschreven. Het zou het zoveelste nummer worden uit Thin Lizzy’s oeuvre waarin Lynott zingt over een jongen die zijn eigen weg gaat en niet in de gewone wereld past, maar dit keer verwoordde hij het misschien nog wel het mooist van allemaal.

But he is a king, when he’s on his own,
He’s got a bike, and that’s his throne.
And when he rides, he’s like the wind,
To you and me, he’s a renegade.

Maar eigenlijk is het veel meer dan de tekst waardoor ik dit nummer alsnog heb leren waarderen. In het licht dat het boek van Byrne op de opnames van Renegade werpt, hoor je ineens de vermoeidheid in Lynotts stem. Alsof hij eigenlijk niet meer kan, maar toch nog zo graag wil. En die strijdlust is gelukkig ook nog steeds te horen. Luister maar eens naar het vierde refrein, dat op 1:47 begint. Kracht, passie, wanhoop, allemaal is het weer even in één zanglijn te horen. Alsof de problemen ver weg zijn en het veroveren van de wereld met zijn bandje weer net als vroeger zijn enige drijfveer is.

Tags: , , , , ,

nummer van 13/05/2013 door Gabriela van der Lans

‘We’ve been had’ van the Walkmen

Gracieus oud worden

Well I’m a modern guy, I don’t care much for the go-go
Or the retro image I see so often telling me to keep trying
Maybe you’ll get here someday
Keep up the work, kid, ok 
I close the book on them right there

Een moderne man zegt Hamilton Leithauser, frontman van the Walkmen, over zichzelf. Zo modern als hij kon zijn, elf jaar geleden, toen ‘We’ve been had’ op de debuutplaat van the Walkmen uitkwam (Everyone who pretended to like me is gone, 2002). Hij blikte toen al terug op het verleden en heeft zich sindsdien veel met tijd en ouder worden bezig gehouden in zijn teksten – een terugkerend thema dat zeker heeft bijgedragen aan de solide reputatie die de band na jaren heeft opgebouwd. Volgens muziekcritici is the Walkmen een van de bands die het meest gracieus oud wordt en dat is een van de mooiste complimenten die je als band van tien jaar kunt krijgen. Leithauser, modern guy, zegt dat het beste compliment dat hij ooit kreeg komt van de meisjes van En Vogue die ooit op hem afstapten na een show om te zeggen dat ze hem goed vonden zingen. Dat moet inderdaad leuk zijn geweest. Gracieus oud worden is dan in ieder geval een goede tweede.

See me age 19 with some dumb haircut from 1960
Moving to New York City
Live with my friends there, we’re all taking the same steps, seems foolish now

19 jaar oud, naar NYC verhuizen, de eerste stappen maken in de muziek. Volgens Leihauser nu foolish, maar gezien de latere carrière van the Walkmen geen al te slecht plan. Achteraf is het altijd makkelijk te oordelen (en te schrijven) over een zogenaamde jeugdige naïviteit.  Leithauser wist toen hij ‘We’ve been had’ schreef alleen nog niet dat hij op latere Walkmen-albums nog veel liedjes zou wijden aan eenzelfde soort naïviteit  ver voorbij die van zijn 19 jonge jaren en retrokapsels. Schrijven over ouder worden is blijkbaar niet iets wat Hamilton bewust doet, maar na tien jaar muziek maken met dezelfde mensen hoef je er misschien ook niet per se over te schrijven om het erover te hebben. Je komt er waarschijnlijk vanzelf achter dat je al die tijd niet anders gedaan hebt.

We’ve been had, you say it’s over.
Sometimes I’m just happy I’m older.
We’ve been had I know it’s over.
Somehow it got easy to laugh out loud.

Hij zegt het zo eenvoudig: soms (…niet altijd) is hij gewoon blij dat hij ouder is om al die domme dingen van toen niet meer te hoeven doen. Want hoe ouder hij wordt, hoe makkelijker het voor hem wordt van een afstand terug te kijken naar zichzelf en in te zien dat alles niet zo zwaar was. Het is een geruststellende gedachte en een optimistische blik op de toekomst. Het is een instelling waarmee je inderdaad gracieus oud kunt worden.

Tags: ,

nummer van 12/05/2013 door Jan van Mersbergen

‘Euverkant van de nach’ van vijf Venlose zangers (Frans Pollux)

Een persoonlijk verhaal delen

Onze gastblogger van vandaag schreef zes romans, publiceerde verhalen in divere tijdschriften en schrijft columns en artikelen voor kranten en weekbladen. Hij werd vertaald in het Duits, Frans en Engels. Wie? Schrijver Jan van Mersbergen (1971). In zijn hart is een speciaal plekje gereserveerd voor een wel heel bijzonder genre binnen de Nederlandse muziekcultuur: Venlose carnavalsliedjes. 

Eind 2011 zat ik op zolder in mijn werkkamertje en kreeg ik een bericht via twitter. De Venlose schrijver en muzikant en liedjesschrijver Frans Pollux zei: “Een muzikale verrassing in je mailbox.”[1]

Een minuutje later kreeg ik een mailtje met een mp3. Ik opende het en luisterde en vanaf de eerste tonen moest ik huilen. Frans schreef in de mail dat het lied geïnspireerd was op mijn Vastelaovesroman Naar de overkant van de nacht. Ik zat op mijn stoel naar de trillende groene lijn van de Media Player te staren, helemaal in trance en de tranen hielden niet meer op want ik begreep dat mijn persoonlijke verhaal dat ik in de roman verwerkt had, nu pas echt een plek ging krijgen in de Venlose Vastelaovend.

Jan van MersbergenMijn roman was net verschenen. Naar de overkant van de nacht speelt tijdens het Venlose Caranaval dat ik ieder jaar met mijn Amsterdamse vrienden vier. Toen ik daar voor het eerst kwam, een jaar of acht geleden, hoorde ik de Venlose liedjes, zag ik de manier waarop de mensen de liedjes vanuit hun hart meezongen en luisterde ik naar de prachtige teksten en ik dacht: dat wil ik ook.

Ik ging een paar keer naar de leedjesavond, ergens in oktober, waar elf nieuwe liedjes gebracht worden zoals een songfestival. Ieder jaar komen er nieuwe liedjes bij en alle liedjes proberen de kern van het feest te raken, het ongeduld als het feest nadert, de roes tijdens het feest, het drinken en sjansen en dansen, de saamhorigheid en ook het verdriet dat op veel momenten tijdens de Venlose Vastelaovend boven komt drijven en gedeeld kan worden. Dat heeft een goed Carnavalslied in zich: de relativering, het geluk, en soms ook het verdriet. Het zijn levensliederen met een universele strekking die door de mensen omarmd, gezongen en geleefd worden. Dat wil ik ook. Iets maken dat heel dicht bij de mensen staat, dat de mensen raakt.

Ik ben geen liedjesschrijver, geen muzikant, geen dichter. Ik schrijf romans. Op een gegeven moment kreeg ik het idee een roman te schrijven die tijdens de Venlose Vastelaovend speelt en dat deed ik, om op mijn manier een bijdrage aan het feest te leveren. Het werd een heel persoonlijk verhaal over afscheid. Na het verschijnen van de roman ben ik gescheiden en eigenlijk zit dat verhaal al in het boek verstopt. Het is geen vrolijk verhaal, de setting is dat wel, die leeft en bruist.

En nu luisterde ik dus naar een lied waaruit mijn persoonlijke verhaal sprak, maar waarin ook dat verhaal opgenomen wordt in de gemeenschap, want er wordt gezongen: kom mee en warm je aan het feest, leef en lach. Een lied waarin het voorjaar aangekondigd wordt. Een lied waar hoop uit spreekt.

Tijdens Vastelaovend 2012 werd het nummer overal gedraaid. Als ik met mijn Amsterdamse vrienden een kroeg binnenkwam – compleet ondergedompeld in de roes, ik vers gescheiden en compleet naar de klote, logerend bij een vriend, al die bagage hing aan mijn vastelaovespekske – dan werd ons nummer opgezet en jankten we samen en zongen we dat we deze nacht door zouden gaan, arm in arm, dat we zouden wachten tot de maan (en de sterren!) weer weg zou gaan, dat we de overkant zouden halen, dat we samen deze nacht door zouden komen.

  1. [1] ‘Euverkant van de nach’ – tekst en muziek: Frans Pollux, zang: Marco Schell, Bart Houtermans, Jacques-Paul Joosten, Lex Uiting en Frans Pollux, band: Sjoerd Rutten (drums), Alexander Op Het Veld (bas), Marc Hesselmans (gitaar), Louis van Gool (strings), Werner van Gool (piano).

Tags: , , , ,

nummer van 11/05/2013 door Kris Coorde

‘Power of Soul’ van Idris Muhammad

... maar zo goed als de drummer

Mijn liefde voor jazz is relatief jong en nog volop in ontwikkeling. Ik zit wel op het punt dat ik min of meer weet wat ik goed vind en wat niet. Wat ik zo leuk vind aan het ontwikkelen van een jazzsmaak, is dat het me herinnert aan hoe ik vroeger, in het pre-internettijdperk, muziek ontdekte. Ik luisterde toen veel meer dan nu naar punkrock en leerde dat wereldje kennen door de cd-boekjes door te spitten, op zoek naar vermeldingen van andere bands. Het leek me niet meer dan logisch dat ik die bands op hun beurt ook weer goed zou vinden. Het bleek een meer dan degelijke ontdekkingsstrategie.

Nu we in een tijdperk leven waarin we alles altijd op kunnen zoeken is bovenstaande werkwijze ouderwets, achterhaald zelfs. Toch geniet ik nog van de charme ervan. En jazz geeft me de mogelijkheid weer op goed geluk op zoek te gaan en te hopen dat wel berekende gokken goed uitvallen. Het mooie is dat jazz een scene is die (grotendeels) niet uit bands, maar uit solisten bestaat, waardoor je steeds wijzigende opstellingen krijgt, of min of meer dezelfde samenstelling, maar onder leiding/naam van een andere bandleider. Het eerste wat je doet wanneer je een leuke plaat hoort, is kijken welke andere muzikanten er op meespelen. Dat zijn de namen die je vervolgens opzoekt wanneer je de jazzbakken doorspit.

Altijd handig dat je zo ziet wie er meespeelt.

Altijd handig dat je zo ziet wie er meespeelt.

En je leert het snel hoor. Op trompet hoor ik graag Donald Byrd, Freddie Hubbard of Lee Morgan. Op orgel? Doe mij maar Charles Earland, Herbie Hancock, Jimmy McGriff of Johnny ‘Hammond’ Smith. George Benson of Melvin Sparks op gitaar. Mongo Santamaria als percussionist. Ik kan nog wel even doorgaan. Maar het allerbelangrijkste, waar ik eerst op let, is wie er achter de drumkit zit. Van rockbands wordt vaak gezegd dat de band maar zo goed is als de drummer. Ik heb een jazzversie van deze stelling: als ik de drummer goed vind, vind ik de plaat waarschijnlijk ook goed.

Er kan er maar één de beste zijn

Nu heb ik er een paar, favoriete jazzdrummers, maar dat rijtje hou ik nog even voor mezelf. Misschien voor toekomstige Nummers van de dag. Ik begin gewoon met mijn favoriet. Mijn held der helden. Ik heb het hier al eens eerder gezegd, en jazzliefhebbers zullen het al wel hebben zien aankomen; ik hou vooral van jazz die tegen de soul en funk aanleunt. Dan kom je onmiddellijk bij één man terecht. Idris Muhammad, de man die eigenhandig jazz funky maakte. Bewijsstuk A: een quote uit een verzamelaar met als ondertitel ‘Flat Out Funk From The Jazz Brotherhood’:

“Idris Muhammad is very much the star of this record, appearing on 10 of the tracks here [van de 18 – red.], three of which are from the two albums he recorded as a leader for Prestige in 1970 and ’71. […] His ability to mix both jazz and R&B meant he was a crucial lynch-pin of first Lou Donaldson’s Bogaloo set-up and then of almost any funky jazz session going down at either Prestige or Blue Note.”

Die eerste lp op Prestige Records heeft een titel die boekdelen spreekt, Black Rhythm Revolution, en werd gekenmerkt, niet alleen door het typische spel van Muhammad (die enkele jaren voorheen nog door het leven ging als Leo Morris), maar ook door het uitgesproken politieke karakter van de plaat, iets waar wel meer jazzmuzikanten in die periode zich over uitspraken. En hoe funky was die plaat dan? Idris coverde ‘Super Bad’ van James Brown en ‘Express Yourself’ van Charles Wright and The Watts 103rd Street Rhythm Band op het album. Maar Idris Muhammad had geen funkcovers nodig om funky te drummen. Luister maar naar ‘Power of Soul’ van het gelijknamige album. Die funk komt niet van een ander hoor. Kleine Leo Morris kwam uit New Orleans en kreeg het ritme met de paplepel ingegoten. Zijn debuut maakte hij op ‘Blueberry Hill’ van de grote Fats Domino. En zo bleef het gaan. Iedereen wilde Idris achter de kit. En dat vond hij zelf best gek: “I tell you, man, I had no idea I was starting a trend, that I was playin’ a style of drums that the guys who play the drums today learned how to play from. Style? No, I just play, man. I don’t really have a style. Just being able to play music is a style, you know?”[1]

  1. [1] Lees meer over de bescheiden drumheld in dit interview uit 2004.

Tags: , , , , , ,

nummer van 10/05/2013 door Arja van den Bergh

‘Then You Can Tell Me Goodbye’ door Bettye Swann

Niet klein, niet groot; subliem

In de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en andere Engelstalige landen is town een term voor een woonplaats die groter is dan een village (dorp), maar kleiner dan een city (stad). Stuck in the middle. In Nederland is er geen vertaling voor town; we kennen de stad en het dorp, niks daartussen. Arcadia, gelegen in de Amerikaanse staat Louisiana, is zo’n ‘town’. Het plaatsje (toch nog een vertaling) transformeerde van een kleine nederzetting in 1820 naar een heus dorp in 1855. Shadrick P. Sutton was de eerste ‘meester’ van het dorp en gaf het door hem afgebakende gebied en zijn inwoners de naam Arcadia, dat ‘prachtige heuvels’ betekent. Toen het inwoneraantal in 1903 de duizend passeerde mocht Arcadia zich een town gaan noemen. Veel groter dan dat werd het qua omvang niet – in 2006 zijn er 2.828 inwoners geteld – bekénder wel. Arcadia vormde in 1934 het decor voor de allesbepalende confrontatie tussen de plaatselijke autoriteiten en het roemruchte duo Bonnie & Clyde. Dáár werden ze in een hinderlaag gelokt, dáár werd het vuur op ze geopend; Arcadia stond ineens op de kaart. Arcadia was de obscuriteit voorbij. Toch is er nog één ander gegeven dat Arcadia bijzonder maakt: Bettye Swann groeide er op.

Betty Jean Champion werd geboren in de stad Shreveport, Louisiana, maar groeide op temidden van dertien broertjes en zusjes in het nabijgelegen Arcadia. Het is 1963 als ze naar Los Angeles vertrekt om haar droom na te jagen. Een jaar later, op haar twintigste verjaardag, komt een deel van die droom uit en tekent ze bij Money Records. Het zelfgeschreven ‘Don’t Wait Too Long’ (1964) genereert de nodige aandacht, maar ze breekt pas echt door in 1967, met het zorgeloze ‘Make Me Yours’. Bettye maakt nog enkele Money-platen voordat ze overstapt naar Capitol, een meer door country beïnvloedde platenmaatschappij. Je leest het goed. Country, van origine een blanke aangelegenheid, en soul, zwarte muziek bij uitstek, smolten in de vroege jaren zestig in het zuiden van de Verenigde Staten wonderwel samen tot country-soul. Bettye omarmde de stijl, net als veel van haar generatiegenoten. Zo had ik het al eens over ‘Help Me Make It Throught The Night’, een nummer geschreven door countryheld Kris Kristofferson (1970), dat Gladys Knight & the Pips in 1972 coverden. En wat dacht je van Roberta Flacks versie van ‘The First Time Ever I Saw Your Face’ (1972)? Het origineel van de kuise Ewan MacColl valt er hopeloos bij in het niet.

Bettye SwannNet als eerdergenoemde voorbeelden is ‘Then You Can Tell Me Goodbye’ geschreven door een door folk en country beïnvloede (blanke) muzikant, John D. Loudermilk. Het nummer werd voor het eerst in 1962 uitgebracht, in een doo-wop-versie van Don Cherry. Talloze covers zouden volgen, onder andere door The Casino’s in 1967. Bettye, die door Capitol was gekoppeld aan een eveneens uit Louisiana afkomstige producer, werd door deze Wayne Shuler gestimuleerd zich te laten inspireren door verschillende muziekstijlen. Hij hoorde een crossover-artiest in haar, iemand die zich meerdere stijlen eigen kon maken. ‘Meerdere stijlen’ werd alsnog veel country, want de nummers lagen op dat moment voor het oprapen. Zo coverde ze Merle Haggards ‘Today I Started Loving You Again’ (die van haar klonk in 1973 zo) en Tammy Wynettes ‘Stand By Your Man’ (Bettye’s versie beluister je hier).[1]

Dat het nummer van de dag de meeste geslaagde cover van het stel is, een liedje dat alle andere versies overbodig maakt, lijkt me duidelijk. Bettye’s stem eist alle aandacht op en haar heesheid brengt een soort onvoorspelbaarheid met zich mee waardoor je elk kraakje en overgangetje wil horen en kunnen plaatsen. Ze zingt met zoveel gevoel, zoveel rust. Nergens heeft ze de behoefte vocale gymnastiek te bedrijven. Dat is ook niet nodig, Bettye draagt het liedje alsof het enkel voor haar is geschreven. Ze blijft bedeesd, heeft geen boodschap aan de wanhopige snik die in het nummer besloten ligt. Het is duidelijk: ‘Then You Can…’ past moeiteloos in het rijtje country-soulklassiekers. Gelukkig staat het nummer sinds enkele jaren relatief hoog in de Zwarte Lijst van Radio 6 (nr. 286) en wordt Bettye, als het over country-soul gaat, meer dan eens geprezen door Leo Blokhuis. ‘Then You Can Tell Me Goodbye’ is nooit een hit van wereldformaat geweest, maar wordt inmiddels op waarde geschat. Bettye Swann is geen Aretha, maar ze is de obscuriteit zeker voorbij. Stuck in the middle. Maar allesbehalve middelmatig.

  1. [1] Bronnen: hier en hier.

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

-->