nummer van 26/08/2014 door

‘Spoon Out My Eyeballs’ van Benjamin Booker

Niks te vertellen

“Je moet een goed verhaal te vertellen hebben.” Dat advies gaf een ervaren en gewaardeerde perspromotor van een platenlabel mij eens. De vraag hoe ik de nieuwe plaat van m’n band onder de aandacht kon brengen was aan het antwoord voorafgegaan. Het naïeve idee dat goede muziek altijd wel gehoord wordt, had ik eerder al laten varen. Met tegenzin, dat wel, maar er wordt nu eenmaal verschrikkelijk veel goede muziek gemaakt en verhalen die tot de verbeelding spreken zorgen er simpelweg voor dat je net even wat lekkerder binnenkomt.

Minder ideaal voor de muzikant die er maar een saai leven op nahoudt, maar perfect voor een blog als deze. Daarbij hebben we gelukkig een oneindig grote schatkamer aan muziekgeschiedenis tot onze beschikking, maar zelfs bij nieuwe bands is het vaak niet moeilijk om een interessant verhaal te vinden. Een singer-songwriter die in armoede over de halve wereld zwerft, wonderkinderen die klinken alsof ze er al een heel leven op hebben zitten of de altijd goed scorende gedoemde mislukkeling die eindelijk door de muziek wordt gered.

Niet lullen, maar poetsen

Toch ben ik blij het vandaag te kunnen hebben over een muzikant over wie eigenlijk niets interessants te vertellen valt. Of, laat ik het anders formuleren, over een muzikant in wiens biografie weinig spectaculairs wordt opgevoerd dat de komende weken nog door tal van recensenten en journalisten zal worden herkauwd. Nou ja, dat hij pas 25 is en dat Jack White fan is zul je vast een paar keer terug gaan lezen, maar dat is het dan ook wel.

Gelukkig maar, want des te meer zal het over muziek gaan. En daar valt genoeg over te praten. Over ‘Violent Shiver’ bijvoorbeeld, de eerste single die in april van dit jaar al veel aandacht trok en je eraan herinnert hoe rock ’n roll ook in 2014 nog steeds kan klinken: bluesy, swingend, zinderend en energiek. Daarnaast is de punk ook nooit ver weg op zijn self titled debuutalbum. Iets dat hij ongetwijfeld heeft overgehouden aan de paar jaar die hij in Gainesville, Florida doorbracht: de thuisstad van bands als Against Me! en Hot Water Music, platenlabel No Idea Records en de locatie van een van ’s werelds grootste punkfestivals, The Fest.

Benjamin Booker – Violent Shiver

Verder is er vooral veel ruimte voor blues en soul. Hoe aanstekelijk Booker ook klinkt wanneer hij in volle vaart doordendert, de momenten waar het gas even wat minder wordt opengetrokken zijn misschien wel waardoor de balans van deze plaat echt zo zuiver is. Neem nou de eerste minuut van ‘Spoon Out My Eyeballs’. In vergelijking met de chaos waarin het nummer ervoor op de plaat verzandt, is het bijna tergend langzaam. Het gevolg is dat je elke gezongen lettergreep volledig tot je neemt, van de woorden tot het kraken in z’n stem aan toe.

Geen houden aan

Benjamin Booker - Benjamin BookerDie minuut had prima uitgerekt kunnen worden tot een fraaie ballad, maar daarvoor lijkt de spanningsboog van Booker vooralsnog wat te kort. Misschien maar goed ook, want met elk gitaarakkoord nemen de volume en intensiteit van z’n stem vervolgens verder toe. Het rustpunt zo rond 1:50 had de inmiddels op gang gekomen trein richting een rustig zijspoor kunnen leiden, maar vanaf dat moment is er eigenlijk geen houden meer aan en ontspoort het nummer alsnog.

Dat er in de biografie van Benjamin Booker weinig spannends staat vermeld, betekent natuurlijk niet dat de jonge muzikant geen boeiende verhalen kan vertellen. Alleen de albumhoes zou wat dat betreft al genoeg aanwijzingen moeten geven voor stof tot nadenken. Wie weet duiken er de komende jaren nog mooie anekdotes op, maar voor nu hebben we meer dan genoeg aan een pracht van een debuutalbum.

Tags: , , , , , , , ,

Howlin' Wolf – "The Red Rooster" [Vinyl]

Deze week is het 43 jaar geleden dat Eric Claptons droom uitkwam: een album uitbrengen met de imposante bluesreus (schoenmaat 50!) Howlin’ Wolf. Toch wordt deze mijlpaal niet jaarlijks gevierd, noch staat hij er ieder lustrum of tenminste nog eens per decennium bij stil. Eric Clapton vergeet de hele ervaring het liefst.

Supergroep

Toch kun je je daar weinig van voorstellen als je de albumhoes bekijkt. De namen van Howlin’ Wolf en Eric Clapton, maar ook die van Steve Winwood, Bill Wyman en Charlie Watts prijken pontificaal op de voorkant. Een veelbelovende combinatie, zelfs al ben je anno 2014 zo verwend met het uitgemolken supergroep-concept dat je nergens meer van onder de indruk bent. In 1971 was dit concept nog verre van uitgemolken, en een nieuwe groep bestaande uit een Amerikaanse blueslegende, twee populaire Britse muzikanten én de ritmesectie van The Rolling Stones zou toch wel de plaat van het decennium moeten opleveren. Dat deed het niet. Critici waren maar matig enthousiast, bluespuristen slachtten het album volledig af. Zelfs Eric Clapton zelf – die er om bekend staat iedere kans aan te grijpen om met zijn idolen te spelen – had in interviews over de London Sessions weinig goeds te melden.

The London Howlin' Wolf Sessions

Clapton was sceptisch

Het idee voor het album werd geboren in San Francisco, toen Chess Records-producer Norman Dayron bij een Cream-concert op Clapton afstapte met de vraag of hij geïnteresseerd zou zijn in een sessie met Howlin’ Wolf. Clapton was sceptisch, maar alleen omdat hij nog nooit van Dayron had gehoord en inmiddels genoeg ontmoetingen had gehad met charlatans die zich uitgaven voor grote platenbonzen maar uiteindelijk niets meer dan brutale fans bleken die uit waren op een interessant praatje. Dayrons cv bleek echter te kloppen, en het enige dat een legendarische sessie nog in de weg zat was het naast elkaar leggen van agenda’s.

Ringo Starr uit de band gegooid

Het plannen van de opnamesessies in Londen duurde twee jaar. Clapton wilde per se dat Howlin’ Wolfs vaste gitarist Hubert Sumlin met zijn bandleider mee zou vliegen naar Engeland, maar platenbaas Leonard Chess weigerde om voor deze extra kosten op te draaien. Eric stelde een ultimatum: geen Sumlin betekende geen Clapton. Uiteindelijk ging Chess overstag, maar grimmigheid zou de gehele sessie blijven overschaduwen. Aan de Britse kant had Eric inmiddels voor de rest van de band gezorgd: Steve Winwood en Ian Stewart op toetsen, de 19-jarige Jeffrey Carp werd verwelkomd als mondharmonicaspeler, Beatlesdrummer Ringo Starr en zijn basgitaarspelende huisgenoot Klaus Voormann zouden gaan fungeren als ritmesectie. Binnen één dag bleek echter dat de laatste twee geen enkel benul hadden van de blues; slechts één nummer van de opnamen met Starr en Voormann zou de plaat halen.

Howlin' Wolf en Eric Clapton

Howlin’ Wolf en Eric Clapton

Kritiek van Howlin’ Wolf

Vervangers werden uiteindelijk gevonden in Bill Wyman en Charlie Watts, die met The Rolling Stones genoeg rauwe blues hadden gespeeld om de sessie tot een goed einde te brengen. Nu de definitieve band was samengesteld, stond Clapton echter pas voor het grootste probleem: Howlin’ Wolf zelf. De blueszanger was uitgesproken sceptisch over zijn Britse bandgenoten, en al snel bleek dat het idee om een sessie in Londen te doen vooral van Norman Dayron afkomstig was. Howlin’ Wolf zat liever in Amerika, met zijn eigen muzikanten. Na één dag was Clapton het al zat en moest hij door Dayron worden overgehaald om niet ter plekke zijn spullen te pakken en te vertrekken. Wolf had overal kritiek op, vooral op de manier waarop de Britten zijn nummers aanpakten. Het dieptepunt hoor je aan het begin van ‘The Red Rooster’, waarin Clapton voorstelt dat Howlin’ Wolf zelf de iconische openingsriff speelt in met het gevoel en het tempo dat hij gewend is, zodat de band kan volgen. Wolf vindt dit belachelijk; Clapton hoort toch de beste bluesgitarist in Engeland te zijn? Wanneer ze het eens worden blijkt het dieptepunt van The London Sessions echter uit te monden in een absoluut hoogtepunt: door het lekker smerige gitaargeluid evenaart deze versie van ‘The Red Rooster’ het origineel met gemak en de ritmesectie van de Stones maakt er een lui gespeeld maar swingend bluesfeest van.

London SessionsTragisch einde

Uiteindelijk slaagde dit tot elkaar veroordeelde gezelschap er toch in om meer dan twintig nummers op te nemen. Maar ook na de opnamen waren de problemen niet voorbij. Mondharmonicaspeler Jeffrey Carp werd het niet eens met Norman Dayron over zijn vermelding in de album credits. De discussie liep zo hoog op dat Carp de opnamebanden gijzelde. Vlak daarna boekte Carp een cruise om met zijn vriendin de kerstdagen op zee door te brengen. Hij sprong overboord om een passagier te redden die in het water was gevallen, en verdronk zelf. Een tragische manier om de discussie over een vermelding in een albumhoes aan één kant te laten verstommen, maar niettemin was dit voor Dayron het moment om zijn zin door te zetten en het album eindelijk uit te kunnen brengen. Eind augustus 1971 lag The London Sessions in de winkel, tegen wil en dank van iedere muzikant die er iets mee te maken had gehad.

Tags: , , , , , , , , , , , , ,

nummer van 24/08/2014 door Dimitri Lambermont

‘I’m Broken’ van Pantera

Er kan veel breken in twintig jaar, maar niet mijn liefde voor Pantera

Gastblogger Dimitri Lambermont over zichzelf: “Online copywriter. In het vak sinds 1999. Vernietiger van jargon. Wou eigenlijk altijd bij Oor werken. Ondanks alle muzikale omzwervingen toch vooral metalhead gebleven.”

Pantera – I'm Broken (Official Video)

Dit jaar bestaat het album Far Beyond Driven van Pantera alweer een kleine twintig jaar. Zelf mag ik ondertussen de grote 4.0 aantikken. Een eenvoudig sommetje en je komt uit op twintig. En nu, twintig jaar later, noem ik mezelf nog steeds met trots Pantera-fan. Hoewel gitarist Dimebag Darrell al bijna tien jaar dood is, nadat hij op 8 december 2004 tragisch genoeg op het podium werd neergeschoten. Hoewel mijn grote held Phil Anselmo ook de jongste niet meer is. En mijn dochter elke keer als ik Pantera aanzet, gillend de kamer uit holt. Fan van Pantera ben je voor het leven, ook als headbangen na twee keer zwiepen al pijn aan je nek doet.

Headbangers Ball

Laten we even terugvliegen naar 1994. Naar zomaar een avond in zomaar een Nederlandse slaapkamer. Ik kijk MTV, zoals gewoonlijk. MTV draait dan namelijk nog vooral muziek – vreemd concept, ik weet het. En ik wacht waarschijnlijk rustig op Headbangers Ball met Vanessa Warwick. Na een hele week slappe muziek is er altijd nog de zekerheid van Headbangers Ball. Een fijn anderhalf uur Mijn Muziek: metal. En dan is daar het moment; de eerste single van het nieuwe album van Pantera.

Pantera - Far Beyond DrivenFar Beyond Driven is het zevende studioalbum, komt uit op 22 maart 1994 en gaat in een keer naar de eerste plek van de Billboard 200. Daarmee is het overigens het eerste extremere metalalbum dat bovenaan de chart weet te verschijnen. En, leuke side note: het is het eerste album waar Darryll Abbott zich in de credits Dimebag Darrell noemt. ‘I’m Broken’ is de eerste single van het album. Pantera wordt in 1995 genomineerd voor een Grammy Award voor het nummer.

Weg met spandex

Sommige nummers ken je vooral van de cd, andere nummers juist vooral van de radio. Maar ‘I’m Broken’ staat voor altijd in mijn geheugen gegrift vanwege de video. Niet dat deze clip nou zo schokkend is, het is gewoon een redelijk chaotisch clipje van Pantera dat in een haast oefenruimte-achtige setting het nummer speelt. Komt geen vlammenshow of vuurwerk aan te pas. En wellicht sprak dat me juist zo aan. Na de spandex en Groot Haar-jaren van metal, het gejammer van de grunge, was deze clip van Pantera heel down to earth. En dat was wel lekker.

Ik vond Pantera altijd wel cool. Zeker Vulgar Display Of Power uit 1992, waarmee ze doorbraken, heb ik grijsgedraaid. Maar met ‘I’m Broken’ brak Pantera pas echt door naar de supersterrenstatus. Het nummer heeft natuurlijk die heerlijke riff, waarover Dimebag Darrell volgens Wikipedia zelf ooit heeft gezegd:

I’m Broken was a sound check riff – one of them ones where I’d walk in with a hangover from ripping it up night after night with everyone in every town. That’s where a lot of the best riffs I ever wrote came from. I just played the first riff I thought of, Vinnie started kickin’ in on it, Rex joined in – we didn’t write the entire song on the spot, but we kept toying with it and finally worked on it once we got into the studio.

Sloopmuziek met een southern groove

Het nummer spat van je beeldscherm en uit je speakers van de agressie. Niemand doet woede zo goed als Pantera. De zuidelijke versie van metal, met z’n opvallende nadruk op de groove, de diepe riffs, de snerpende solo’s en de schreeuw van Anselmo. Alles straalt uit: Don’t fuck with me. En als je het wel doet, dan slopen we de boel.

Pantera - band

Pantera is sloopmuziek. Bot, maar toch net niet al te lomp. Hoewel de heren dat overigens vaak wel zijn. De home videos van Pantera lopen over van de drank, heel veel drank, emmers en liters drank, veel wiet, gesloopte hotelkamers en geblondeerde groupies. Maar ach, who cares? Dit is Pantera. Daarbij hoort een bepaalde bravoure.

Helse rugpijn

En toch is ‘I’m Broken’ qua tekst niet zo onschendbaar. Phil Anselmo heeft namelijk al lange tijd last van rugklachten die hem veel pijn bezorgen. In een interview vertelt hij daarover: “This is right when I started feeling the pain in my lower back, and it felt scary. I think this is one of the first times in my life, man, that I had this thing called ‘vulnerability’ kick in, and that was a very uncomfortable feeling. I think that was really my first glimpse into kind of screaming to the world, ‘Fucking… I am broken! Somebody fucking help me here!’”

Anselmo, die bij optredens veel rondspringt en als een wildeman tekeer gaat, blijkt last te hebben van chronische rugpijn als gevolg van een scheur in de schijven tussen zijn ruggenwervels. Deze schijven gaan steeds verder achteruit. Hoe stoer mijn held ook is, hij heeft pijn. “Look at me now. I’m broken.”

Cool nummer. Jammer van de aanleiding.

Tags: , ,

nummer van 23/08/2014 door

‘Hey Old Man (Can You Play A Banjo)’ van Stringbean

Mo Money Mo Problems

Stringbean – Hey old Man Can You Play a Banjo

Zijn vertrouwen in banken had hij in de jaren 30 reeds verloren. Door de Grote Depressie en de bankencrisis die daarop volgde, was hij niet van plan om ooit nog één cent op een bankrekening te storten. Deze houding stak David Akeman niet onder stoelen of banken. Dat moesten hij en zijn vrouw uiteindelijk met de dood bekopen.

Bonenstaak

Op 12-jarige leeftijd ruilde hij enkele van zijn mooiste kippen voor zijn eerste banjo. Door veel te oefenen en te spelen bouwde hij al snel een reputatie op rond zijn geboortedorp Annville in Kentucky. Asa Martin ontdekte hem tijdens een talentenjacht en besloot hem toe te voegen aan zijn band. Op een avond vergat hij de naam van zijn nieuwe protegé en noemde hem String Bean. Geen gekke naam als je zijn lange, dunne lijf bekijkt.

Stringbean-caro.jpg

Clawhammer vs Scruggs

Echte bekendheid kreeg hij pas toen Bill Monroe van zijn diensten gebruik ging maken. Bill Monroe was, naast grondlegger van bluegrassmuziek, ook een semiprofessionele baseballspeler. Akeman bleek een geduchte tegenstander en de banjospeler die nog in Monroe’s band ontbrak. Na twee jaar werd hij uiteindelijk vervangen door niemand minder dan Earl Scruggs, een man die het spelen op een banjo opnieuw heeft uitgevonden met zijn Scruggs style.

Lang heeft Akeman niet stil hoeven zitten aangezien hij al snel het aanbod kreeg om voor de Grand Ole Opry te komen werken. Hij vormde een duo met Grandpa Jones, een andere banjospeler en komiek. Hij accentueerde zijn lange, slungelige voorkomen door een te lang shirt te dragen met daaronder een kleine broek die hij leende van zijn collega Little Jimmy Dickens. Inmiddels had hij zijn bijnaam als officiële artiestennaam aangenomen en ging hij verder door het leven als Stringbean.

Dubbele moord

De jaren erna bleef hij één van de grote sterren van de Opry. Hij scoorde hits met nummers als ‘Chewing Chewing Gum‘ en kreeg een prominente rol in de serie Hee Haw. Met het succes kwam ook het geld. En zijn wantrouwen tegenover het bankensysteem was niet onbekend. Er moest bij hem dus geld te halen zijn. Dat dachten de neven John en Marvin Brown ook toen zij op zaterdag 10 november in 1973 uren zaten te wachten tot hij thuis zou komen van zijn optreden bij de Opry. Stringbean merkte de beide heren op en probeerde nog enige weerstand te bieden toen de mannen in de aanval gingen. In een paar seconden werd Stringbean dodelijk geraakt door een kogel van één van zijn overvallers. Zijn vrouw smeekte vergeefs om haar leven en werd even later ook gewetenloos doodgeschoten. Geld hebben de neven nooit gevonden. Dat gebeurde 23 jaar later toen er achter een loszittende baksteen in het huis de lieve som van 20.000 dollar tevoorschijn kwam.

Grandpa Jones kwam met een mooi eerbetoon aan zijn vriend en collega. Sam Bush schreef met ‘The Ballad Of Stringbean And Estelle’ een schitterend nummer over het trieste einde van een man die zijn fans zoveel plezier had gebracht.

Folk Alley Sessions: Sam Bush – Ballad of Stringbean & Estelle

 

Tags: , , , , , , ,

nummer van 22/08/2014 door

‘Owl’ van She Keeps Bees

Een groeiend oeuvre

Terwijl ik ‘Owl’ luister, drie minuten en vierendertig seconden lang, maak ik in mijn hoofd een opsomming van dingen die ik weet over She Keeps Bees. Ik weet dat Jessica Larrabee de zangeres van de tweekoppige band is en dat ze behoorlijk lang haar heeft. Ik weet dat haar geliefde Andy LaPlant een bijzondere achternaam heeft, drumt, nummers produceert en dat hij daar plezier in heeft. Dat moet wel, want Jessica is de getergde van de twee, dat hoor je meteen. Geen band overleeft een totaal aan getormenteerde zielen. Wat ik ook weet is dat ik ‘Gimmie’ (Nests, 2oo9), het eerste nummer dat ik van de twee hoorde, heerlijk vond. De vergelijkingen die werden gemaakt sinds debuut Minisink Hotel uit 2006 klopten als een bus: She Keeps Bees werd ook wel een geslaagde mix van PJ Harvey, Cat Power en ‘de omgekeerde’ The White Stripes genoemd. Prima; afzonderlijk was de muziek van elk van die artiesten me op een bepaald moment in mijn leven wel bevallen, dus dat beloofde wat.

She Keeps Bees "Gimmie"

Na Nests gebeurde het onvermijdelijke: Jessica, Andy en ik groeiden uit elkaar. Ik nam geen moeite te achterhalen waar, wanneer en hoe het duo zich verder ontwikkelde. Als ik ‘Gimme’ opzette, of het veel kalere ‘Bones Are Tired’, was ik ronduit tevreden met het bestaan van She Keeps Bees en verlangde ik niet per se naar meer. Ik ging zelfs wat vaker naar Cat Power luisteren, die ik als songwriter waardeerde maar als zangeres altijd wat hijgerig en aanstellerig vond. Zo niet Jessica Larrabee, naar wier stem ik uren kon luisteren. Omdat ze de tijd nam, lage tonen boven hoge prefereerde en zich niet in het keurslijf van de blues liet stoppen. Bovendien klinken maar weinig indiemuzikanten zó soulvol. Maar ook die luistersessies hielden een keer op, simpelweg omdat She Keeps Bees’ oeuvre nog moest groeien. Een plaat grijsdraaien levert niet altijd een prettige nasmaak op, een stem alleen biedt niet genoeg.

En toen was daar ineens goed nieuws: LP Eight Houses wordt op 16 september uitgebracht. Ik beluisterde alvast twee nummers, ‘Is What It Is’ en ‘Owl’. Die laatste klonk het meest verrassend, voor zover mogelijk in She Keeps Bees’ uitgeklede stijl. De blazers in ‘Owl’ deden het ‘m misschien wel. Geen hoog van de toren blazende toeter, maar een hoorn die zich al net zo relaxed door het nummer beweegt als Jessica’s beheerste stem. Terwijl ik luisterde en mijn gedachten liet gaan over alles wat ik wist over She Keeps Bees hield de lome beat me in zijn greep en de heldere gitaarklank me alert. En toen ik ontdekte dat het  Sharon van Etten was die in de achtergrond klonk, dacht ik: ik heb zin in deze plaat.

Tags: , , , , , , , , , , , ,

nummer van 21/08/2014 door

‘My Donal’ door Amalgamated Sons Of Rest

Twee helden op een plaat, toch een teleurstelling

my donal

In 2001 veroverde Will Oldham als Bonnie ‘Prince’ Billy de wereld. Ease Down The Road (2001) en I See A Darkness (1999) vinden op dat moment hun weg naar tal van cd- en platenkasten. Jason Molina bracht een jaar eerder als Songs: Ohia zijn bekende The Lioness (2001) uit. Het zijn drie platen die in die tijd al mijn vrienden luisterden. De tragische, vertwijfelde en kleine muziek is een welkome afwisseling van jaren van luide alternatieve gitaarmuziek. Voor velen van ons zetten de platen ook de deur open naar oudere folk en country. Kortom. Het deed ons wat zo aan het prille begin van het nieuwe millennium.

Helemaal opgewonden raakten we toen we lucht kregen van Amalgamated Sons Of Rest. Daarop werkten onze twee nieuwe helden voor één plaat samen. Godverdomme. Wat had ik zin in die plaat.

Louisville

Amalgamated Sons Of Rest is een eenmalige samenwerking van Oldham, Molina en de Schotse singer/songwriter Alasdair Roberts. In september 2001 komen de drie samen in Louisville om samen zeven liedjes op te nemen. Deze liedjes worden de ep zonder titel, maar wel met een gave potvis op de hoes trouwens. De muziek is zoals je kan verwachten: verloren, breekbaar, klein, akoestisch.

Het verschil met de drie platen die we kennen van Molina en Oldham – van Roberts heb ik tot op de dag van vandaag nog nooit iets geluisterd – is dat Sons iets kapotter klinkt. Ruwer, onaf. Dat zorgt ervoor dat de plaat lekker dichtbij klinkt, alsof je naar een paar vrienden luistert die samen wat proberen. Maar een écht goede plaat is het mede hierdoor ook niet geworden. De serieuze muziek is net iets te vrijblijvend.

Oldham, Roberts, Molina

Oldham, Roberts, Molina

Teleurstelling

De plaat was dus een beetje een teleurstelling voor ons. Is dit het nou, ging het door ons heen. Er waren geen momenten waarvan we achterover sloegen. En de sfeer was ook wat mak. Toch kom ik zo heel af en toe terug bij deze plaat en dan met name om naar ‘My Donal’ te luisteren.

Het is hun versie van de Schotse traditional, gezongen door Oldham met op de achtergrond de andere twee. Het is een prachtige versie van het lied dat soms ook ‘Home Of The Whale’ wordt genoemd. Het gaat over een vrouw die haar man bezingt, Donald. Hij werkt op zee, op zoek naar het thuis van de walvis. De wilde golven en de straffe wind is voor de man het échte leven, aan zijn vrouw denkt hij niet. Denkt zij. Luister maar eens.

Oh my Donal he works on the sea
On the waves that blow wild and free
He splices the ropes and he sets the sails

While southward he rolls to the home of the whale

And he never thinks of me far behind
Nor the torments that rage in my mind
He’s mine for only part of the year
And left all alone wishing his face is near

And you ladies that smell of wild rose
Think you for your essence to wherein man go
Think you of the wives and the lovers that yearn
For a man ne’er returning from hunting the sperm

Nu weten we ook waar die potvis, in het Engels sperm whale genoemd, op de voorkant vandaan komt.

Tags: , , , , , , , ,

nummer van 20/08/2014 door

‘De Ushuaia a la Quiaca’ van Gustavo Santaolalla

Reizen door Zuid-Amerika, in de film en in het echt

Gustavo Santaolalla – De Ushuaia a la Quiaca ("The Motorcycle Diaries" Original Soundtrack)

Zijn naam doet al een beetje dromen: Santaolalla…Gustavo Santaolalla, de Argentijnse muzikant en tweevoudig Oscar-winnaar, bekend van de muziek die hij maakte voor onder andere de films Babel en The Motorcycle Diaries. Wij kennen hem voornamelijk van die films, maar zijn muzikale carrière gaat veel verder terug.

Van yoga en rock tot films

Santaolalla heeft haast nooit iets anders gedaan dan muziek maken. In de jaren zestig speelde hij al in de band Arco Iris, een Argentijnse band/yogacommune die er een vlees-, alcohol-, en drugsvrije levensstijl op nahield en op zoek was naar een toekomst voor Argentijnse rock. Het was uiteindelijk niks voor hem en in 1975 brak hij met de groep. Hij wist nu dat hij professioneel muziek wilde maken en ook dat dat op zijn eigen manier moest gebeuren.

Hij verhuisde in ’76 naar de VS en richtte daar de band Wet Picnic op, een new wave-groep met hemzelf op zang. In die tijd begon hij ook aan zijn solo-albums te werken evenals de productie van platen voor andere bands die Argentijnse rock naar een hoger niveau wilden tillen. De koppeling tussen moderniteit en muziek geworteld in de tradities van zijn moederland bleef altijd een belangrijk streven. Zijn soloplaat Roncoco (1998), een volledig instrumentaal album van charango-composities[1] zorgde voor een nieuw impuls in zijn werk: een jaar na de release werd een aantal liedjes uit Roncoco gebruikt in de film The Insider (Michael Mann, 1999) en vanaf dat moment boog Santaolalla’s aandacht zich naar de toepassing van muziek in films.

De soundtrack van Che’s reis

Amorres Perros (2000), 21 Grams (2003), Brokeback Mountain (2005), Babel (2006), Into The Wild (2007), Biutiful (2010), August: Osage County (2013) – het is maar een kleine selectie van de films waar Santaolalla de muziek voor schreef en veelvuldig voor werd bekroond met prijzen. In 2004 componeerde hij een van zijn mooiste werken: de score van de film The Motorcycle Diaries. De film, gebaseerd op het boek ‘Notas de viaje’ (Reisnotities) van Ernesto Rafael Guevara de la Serna (oftewel Che), vertelt de reis die Guevara en zijn vriend Alberto Granado in de jaren 50 maakten door Zuid-Amerika – een reis die in veel opzichten het begin betekende van Guevara’s politieke engagement. De film is de moeite, de muziek is fantastisch.

Santaolalla’s soundtrack bestaat uit 23 nummers, waaronder ook korte composities die niet allemaal evenveel zeggen zonder de beelden gezien te hebben. Toch werkt het als geheel; de elektrische gitaar klinkt rauw en kil – op een goede manier – en Santaolalla’s charango maakt steeds de link weer hoorbaar tussen het verleden en het heden. Zoals Ry Cooder ons op een soortgelijke manier toegang gaf tot Cubaanse klassiekers, neemt Santaollala ons hier mee terug naar het oude Andesgebergte. Het nummer ‘De Ushuaia a la Quiaca’ gaat nog verder.

Santaolalla’s eigen reis

De oorsprong van ‘De Ushuaia a la Quiaca’ ligt eigenlijk niet bij de soundtrack van The Motorcycle Diaries. In 1985 startten Santaolalla en de Argentijnse zanger León Gieco een reis door Argentinië, van de meest zuidelijke plaats op de kaart (Ushuaia) tot het noorden (Quiaca), op zoek naar de wortels van hun muziek. Het resultaat was een driedelig album bestaande uit originele composities en nummers opgenomen met plaatselijke muzikanten, zowel bekende artiesten als mensen van de straat. Alle opnames werden buiten gemaakt, in de omgeving die de muziek in eerste instantie had geïnspireerd, gespeeld en gezongen door de mensen die de folklore in leven hielden. Het was een monsterproject, vol ontmoetingen met mensen die evenzo gepassioneerd waren van muziek als Santaolalla en Gieco. Het album won in 1985 een Grammy voor ‘Beste Argentijnse Album’.

De link tussen Santaolalla’s reis van Ushuaia tot Quiaca en de reis in The Motorcylce Diaries is makkelijk te trekken. De plaats die het nummer ‘De Ushuaia a la Quiaca’ op de soundtrack van de film inneemt, wordt daarmee nog zinvoller. De beelden die de muziek in de film begeleidt, zullen Santalolalla ongetwijfeld aan zijn eigen reis terug laten denken.

‘De Ushuaia a la Quiaca’

Op het moment dat ‘De Ushuaia a la Quiaca’ in The Motorcycle Diaries wordt gespeeld, zijn el Che en Granado al een tijdje op pad. Het karakter van de jonge Ernesto is zich steeds verder aan het uitkristalliseren. Zijn beeld van de wereld vormt zich door de kennismakingen met de verschillende levens van de mensen van zijn continent: de armen, de rijken, de zieken. Aan het einde van de reis is Che een andere man; het idee van een revolutie is in zijn hoofd en in zijn bloed gekropen.

Op een avond delen Che en Granado een beker maté (Zuid-Amerikaanse kruidenthee) om een klein vuur met een arm stel. De eerste noten van ‘De Ushuaia a la Quiaca’ beginnen en het beeld springt van kleur naar zwart-wit. We zien een onbekende de camera in kijken, als een bewegend fotoportret. Steeds knipt het beeld naar een volgende shot van een andere persoon, vermoedelijk mensen die Che op zijn reis tegengekomen is. Allen verraden door hun uiterlijk hun afkomst en geven een kijkje in hun levensverhaal: een oude man met schapen, een vrouw achter een hoge berg tomaten. Het meest indrukwekkende portret is dat van de man die tegenover Che om het vuur zit: zijn hoge jukbeenderen en rechte mond doen vermoeden dat hij uit de bergen komt, zijn doordringende ogen zijn moeilijk om van los te komen. Terwijl je luistert naar Santaolalla’s noten, voel je jezelf nostalgisch worden voor een gebergte dat je nog nooit hebt gezien.

  1. [1] Een charango is een ouderwets Zuid-Amerikaans snaarinstrument afkomstig uit het Andesgebergte.

Tags: , , , , , , , ,

-->