nummer van 17/07/2014 door

‘Talk to Somebody’ van Lee Fields

Schreeuwend naar zijn einde

Lee Fields past in het rijtje Sharon Jones en Charles Bradley. Zwarte zangers en zangeressen die het laatste decennium bekend werden met authentieke muziek gestoeld op de soul en funk uit de jaren zestig. Maar in tegenstelling tot het mooie verhaal van een Bradley, is Lee Fields een zanger die al sinds de jaren zestig stug voortploetert. Weinig soulartiesten kunnen dat zeggen trouwens, dat ze toen hun eerste plaatjes maakten en nog steeds op het podium staan. Lee Fields wel.

Fields’ verhaal begint in 1969. De dan 18-jarige en ambitieuze zanger is klaar om de wereld te veroveren. Hij brengt zijn eerste single uit en maakt enige naam voor zichzelf. Maar doorbreken lukt hem niet. Ook niet met zijn debuutplaat Let’s Talk It Over (1979). Het uitblijven van succes lijkt hem te demotiveren, want in de jaren tachtig is het rondom hem een beetje stil. In de jaren negentig duikt hij weer op en gaat hij op weg naar succes. Dat komt in het nieuwe millennium als hij met hernieuwde ambitie en passie en zijn begeleidingsband The Expressions weer platen begint te maken die bij een groter publiek in de smaak vallen. Vooral My World uit 2009 opent deuren. Echt stil rondom Fields is het daarna niet meer geweest.

Niet nostalgisch

Deze maand kwam zijn nieuwste plaat uit, Emma Jean. Daarop hoor je heel veel het goeds uit de muziekgeschiedenis voorbijkomen. Stax Records, Muscle Shoals, Otis Redding, een vleugje zwarte disco, noem maar op. Het is de muziek van iemand die zijn eerste meters maakte in de jaren zestig en nog steeds deze muziek ademt. Want nergens doet de plaat aan als een nostalgische stap terug in de tijd. Het is een serieus album, gemaakt in 2014. Zoals de muziek nu klinkt.

Het is moeilijk om één nummer te kiezen. ‘Magnolia‘ zou een makkelijke keuze zijn. De ballade, een cover van JJ Cale, is een nóg dramatischere versie dan het origineel. Prachtig, als dan dat stukje komt met “You whisper goodmorning … ” Of het wat Zuid-Amerikaans getinte ‘All I Need‘, waarvan je heupen automatisch gaan bewegen. Maar daar zingt hij dan weer niet op.

lee fields

Schreeuwen

Dan maar het uptempo ‘Talk To Somebody’, met een James Brown-schreeuw in het begin. In dit nummer komt veel goeds van deze plaat samen. Het is dansbaar, ruw, gelaagd, spannend, broeierig en heeft een fantastische finale: als na drie minuten het nummer even is stilgevallen, schreeuwt Fields zich in de laatste minuut naar het einde.

Wat grappig is, is dat het volgende nummer, ‘Stone Angel’, begint met een nogal hees klinkende Fields. Alsof je vooraan staat bij een optreden en hoort dat hij na een flinke inspanning even op adem moet komen, maar de band alweer een volgend nummer heeft ingezet.

Aan de basis

Fields is inmiddels een vaste waarde en stond ook enigszins aan de basis van de hele soulrevival die zich concentreert rondom Daptone Records. De al genoemde en wellicht wat bekendere Bradley begon in Europa een paar jaar geleden nog in het voorprogramma van Fields. In de VS werd Bradley op sleeptouw genomen door Sharon Jones, de koningin van de soulrevival. Zij werd op haar beurt in de jaren negentig ontdekt toen ze achtergrondkoortjes zong bij Fields. Lee Fields’ profiel mag dan niet zo duidelijk zijn als dat van zijn muzikale vrienden, maar je kunt je afvragen wat er gebeurd zou zijn als Fields nooit meer iets van zich had laten horen na dat debuutalbum uit 1979.

Tags: , , , , , , , , ,

nummer van 16/07/2014 door

‘Do It The Hard Way’ van Chet Baker

De baby's zijn gestopt met huilen

Chet Baker ♫ Do It The Hard Way

Toen Sam Amidon in april van dit jaar tijdens een concert in Brugge een scat van Chet Baker in zijn set zong, viel het op hoe de oorspronkelijk geïmproviseerde notenreeks eigendom van Baker was geworden. Ik had op weg naar de concertzaal per toeval in hetzelfde boemeltreintje gezeten als Sam Amidon en in die trein had hij, zo zei hij in ieder geval, nog even naar Chet Baker geluisterd. Nu zong hij Bakers scat uit ‘Do It The Hard Way’ na en dat deed hij heel goed, wat niet iedereen gegund is. Toch hoorden de elkaar opvolgende noten nog steeds bij Baker. Ze hoorden vooral nog bij zijn stem.

Er wordt vaak van Chet Baker gezegd dat hij zong zoals hij trompet speelde. Dat is ook zo, alleen al om het feit dat al zijn scats noot voor noot gespeeld kunnen worden op trompet in een goede solo. Tijdens die scats lijkt Baker soms zelfs te vergeten te zingen en al diddely-do-end te bedenken hoe een trompetsolo zou klinken. De kalmte die uit zijn stem voortkomt – een gevolg van de ademtechniek die hij zich als trompettist meester moest maken – zou zelfs de meest onrustige baby kunnen laten ophouden met huilen. Er bestaat geen zanger die een sterker kalmerend effect op me heeft dan hij.

“Ik heb nog nooit iemand zachter horen zingen”, zei een opnameleider eens over Bakers zang. Met die extreem vriendelijk klinkende stem is het niet altijd makkelijk voor te stellen dat zijn (liefdes)leven een stuk minder zoet was dan zijn liedjes doen vermoeden. De talentvolle jazz cat met het engelengezicht zou op 39-jarige leeftijd tanden uit zijn gebit gemept krijgen tijdens een gevecht en de diepe rimpels op zijn gezicht werden hoe ouder hij werd alsmaar dieper en dieper. Zijn problemen met drugs hielpen daar niet bij. In zijn zang kwamen de noten er steeds minder makkelijk uit, maar, toch, de ongeëvenaarde zachte klankkleur bleef.

Met zijn lippen bijna tegen de microfoon aan stond hij klaar om een liedje in te zingen. Het was een voor hem typerende houding. Op zijn voorhoofd verscheen een frons en hij sloot zijn ogen, die pas op het einde weer open zouden gaan. Alle spieren in zijn gezicht waren zo gespannen dat het gewenste geluid er moeiteloos uit kon komen. Verder bewoog er niets, alles kwam uit zijn buik. Zachtjes kwamen de hoge en lage noten uit zijn keel, vanuit een bijna gesloten mond. Zijn lichaam werd een klankkast die hij in precies de juiste houding wist te brengen om alle noten te halen, net als hij dat kon via zijn trompet. Pas na de laatste noot opende hij weer zijn ogen en ik wens dat hij op die momenten vaak zag hoe hij de gelukkige aanwezigen betoverd had door een simpel liedje voor ze te zingen.

Tags: , , ,

nummer van 15/07/2014 door

‘Goshen ‘97’ van Strand Of Oaks

Het roer helemaal om

Strand of Oaks – "Goshen '97" (Official Video)

Precies helemaal niks kende ik van Strand Of Oaks voordat ik vorige week HEAL opzette, het nieuwste werk van deze band uit Philadelphia. Alhoewel, in plaats van een band is Strand Of Oaks eigenlijk vooral een project van singer/songwriter Tim Showalter. Op zijn vorige platen was dat beter te horen, want daarop was het vooral ingetogen folk wat de klok sloeg. Dramatisch, vol zelfmedelijden en toen ik die platen na het luisteren van HEAL eens de revue liet passeren, snapte ik prima waarom Strand Of Oaks nog niet eerder op mijn radar was verschenen.

Strand Of OaksOch, arme ik …

Niet dat het Showalter ontbrak aan redenen om te klagen, die waren er namelijk volop. Zijn eerste vrouw ging al eens vreemd terwijl hij aan het toeren was en toen hij daarop even wat tijd voor zichzelf nam, trof hij bij terugkomst een afgebrand huis aan. Een paar jaar later trouwde hij opnieuw en verhuisde hij met zijn kersverse vrouw naar Philadelphia. Vorig jaar trof het noodlot hem op eerste kerstdag echter opnieuw: bij een auto-ongeluk ontsnapten te beiden ternauwernood aan de dood, een paar dagen voordat Showalter aan het mixen van HEAL zou beginnen.

Dat had in principe een plaat met nog meer gejammer op kunnen leveren dan de vorige albums, maar juist het tegendeel bleek het geval. De plaat opent met ‘Goshen ‘97’, een nummer waar de energie en levenslust vanaf spatten. Dat is mede te danken aan die geweldig scheurende gitaarsolo waar het nummer mee begint. De kans dat je daarbij aan Dinsoaur Jr. denkt is vrij groot, niet in de laatste plaats omdat het ook daadwerkelijk J Mascis is die ‘m in heeft gespeeld.

Nostalgisch eerbetoon

Dat lijkt een vrij makkelijke keuze om aandacht te trekken voor je nieuwe plaat, maar als je Showalters beweegredenen achter HEAL kent is het eigenlijk wel logisch. Het moest namelijk een plaat worden die eer deed aan de artiesten die hem in de moeilijkste jaren van zijn leven troostten met hun muziek. Dinosaur Jr behoorde daartoe, maar bijvoorbeeld ook Jason Molina die wordt bewierookt in het nummer ‘JM’. Al steekt in dat nummer toch dat verdraaide zelfmedelijden weer even de kop op:

I was an Indiana kid, gettin no one in my bed
I had your sweet tunes to play
[...]
And I hated all my friends, I wouldn’t let them in
I had your sweet tunes to play

Strand of Oaks – "JM" (Official Audio)

Maar goed, het is ‘m vergeven. Als je na zulke ellende met zo’n kolkende plaat kunt komen, die naast zinderend energiek vooral ook aangenaam afwisselend is, dan mag je tussen neus en lippen door nog best even zwelgen in de ellende van voorbije jaren. Of Showalters op het podium net zo’n overrompelende indruk weet te maken kun je dit najaar overigens zelf gaan zien:

27-09: Ekko, Utrecht
08-10: Merleyn, Nijmegen
24-10: Paradiso, Amsterdam
25-10: Let’s Get Lost, Zwolle

Tags: , , , , , , ,

nummer van 14/07/2014 door

‘Belle Of The Ball’ van Waylon Jennings

I love you inspite of all your faults

Waylon Jennings… Belle Of The Ball

Vorig jaar verscheen er zowaar een nieuw album van mijn idool Waylon Jennings. De muziek en de tekst spreken voor zichzelf. Graag neem ik jullie mee op reis naar mijn zoektocht naar Waylon. In dit derde en laatste deel eindigen we bij zijn begin, in Texas.

Ik denk de snelweg te herkennen uit Paul McCartneys documentaire ‘The Real Buddy Holly Story‘. Hierin zie je Crickets-drummer Jerry Allison met Paul McCartney in een mooie oude Amerikaanse auto zitten terwijl ze de weg van Clovis, New Mexico naar Lubbock, Texas afleggen.

Jill, zoals de stem van mijn GPS de zomer ervoor is gedoopt, stuurt mij naar de Interstate 84. Waarom ik eraf moet bij Littlefield staat op een groot bord aangegeven. Op 15 juni 1937 zag Waylon Arnold Jennings hier het levenslicht.

DSC_23291

Littlefield, TX

Jill weet het Waylon Jennings-museum feilloos te vinden. Missen kan je het overigens niet, in dit kleine uitgestorven dorpje. In een voormalige benzinepomp bevindt zich Waymore’s Museum and Drive-Thru Liquor. De titels van zijn hits staan op de gevel geschilderd. Aan de achterkant prijkt zijn portret. Op goede dagen zit de broer van Waylon voor de deur en op nog betere dagen geeft hij een rondleiding. Helaas is dit een mindere dag. Sterker nog, de deur is gesloten.

Net voordat ik weg wil rijden komt er een vrouw uit de naastgelegen garage gerend. Ze roept dat ze even naar het toilet was. Ze vraagt of ik een lange rit heb gehad. Mijn nummerbord uit Californië is haar niet ontgaan. Ik vertel haar dat ik nog maar net een uur in de auto zit. En nee, ik kom niet uit Canada. Nederland weet ze niet te plaatsen. We houden het op Europa.

James Jennings, zijn jongere broer, is er vandaag niet. Maar James’ dochter wil mij alles vertellen. Terwijl ze alle hotspots voor mij opschrijft zie ik dat ze vroeger een Belle of The Ball moet zijn geweest maar dat het harde leven op het Texaanse platteland haar vroeg oud heeft gemaakt.

Museum

Voor het museum hoeft niet te worden betaald. Museum is misschien een te groot woord voor wat het eigenlijk is. Ik stap een slijterij binnen. Links een vitrinekast met de eerste gitaar van Waylon en wat oude foto’s. De rest van het museum hangt boven de bourbons. Schilderijen en foto’s van fans. Oude tourshirts. Een familieportret met zijn vrouw Jessi Colter en zeven kinderen. Een klein hoogtepunt is de platinaplaat voor Wanted: The Outlaws, één van Waylons grootste successen. Lichtelijk teleurgesteld zie ik dat deze is aangeboden aan een medewerker van de platenmaatschappij en niet aan Waylon zelf. Dat ik deze alsnog graag in mijn woonkamer zou willen hangen, staat natuurlijk buiten kijf. Vijf minuten later doneer ik tien dollar en bedank de nicht van Waylon voor haar gastvrijheid.

Waylons jeugd

Met de getekende kaart van Littlefield rijd ik langs zijn geboortestraat. Het centrum van Littlefield ligt er verlaten bij. Geen enkel pand is verhuurd. Door vieze ramen kijk ik naar stoffige ruimtes, vaak nog met het oude interieur. Het aanblik doet mij denken aan een willekeurige aflevering van The Walking Dead. De mensen uit Littlefield doen hun boodschappen tegenwoordig bij de Walmart in Lubbock. Ontzettend jammer, aan de gevels te zien moet dit een levendig en, voor Amerikaanse begrippen, gezellig stadje zijn geweest.

In een stuk cement staan zijn voetafdrukken. Het verweerde houten bordje laat zien dat het onderhoud van deze bezienswaardigheid geen prioriteit heeft. KZZN ligt er dan in vergelijking nog verrassend goed bij; het radiostation waar Waylon als twaalfjarige dj begon zendt nog steeds uit over de platte akkers van West Texas.

Ik rijd naar Lubbock met een hoofd en hart vol ervaringen, herinneringen en emoties.

Buddy

Bij de Walk Of Fame naast het Buddy Holly Center kom ik zijn naam nog één keer tegen. Daarna schakel ik over op Buddy Holly. Buddy Holly, de vriend van Waylon Jennings die hem een kans gaf. Die hem meenam op tour. Die hem aanbood om mee te vliegen naar het volgende optreden. The day the music died.

Tags: , , ,

nummer van 13/07/2014 door Niek Nellen

‘That Summer Feeling’ van Jonathan Richman

Nostalgie voor gevorderden

Dat zanger en gitarist Niek Nellen van Afterpartees geweldige liedjes kan schrijven wisten we al wel. Maar mooie verhalen schrijven gaat hem blijkbaar net zo makkelijk af, zo ontdekten we laatst dankzij een tourblog op 3voor12. Reden genoeg om hem te vragen voor een gastblog.

Jonathan Richman – That Summer Feeling

Nostalgie is een gevaarlijk wapen, en dood aan de mensen die er lichtvoetig mee omgaan. Maar daarover later meer.

Jonathan Richman, de man van de legendarische proto-punk band The Modern Lovers. Een band waar hij uit stapte voordat het debuutalbum daadwerkelijk opgenomen kon worden (de legendarische plaat die je kent is eigenlijk een collectie demo’s, opgenomen door John Cale van Velvet Underground) aangezien Jonathan Richman geen luide muziek meer wilde spelen. De liedjes hoefden niet zo hard volgens Richman, want als het een goed liedje was, zouden de mensen dat wel horen. Minder rock ’n roll dan dat wordt het eigenlijk niet, en eigenlijk is Jonathan Richman ook het tegenovergestelde van rock ’n roll.

Terwijl de Dead Boys, Richard Hell, Johnny Thunders en de Ramones met rock ’n roll (of Punk, een woord dat door de Amerikaanse stroming “punkbands” werd verafschuwd) de wereld over vlogen met hun agressieve, soms nihilistische wereldbeeld, had je hier deze Jonathan Richman, die met dezelfde overtuiging waarmee bijvoorbeeld Iggy Pop zong dat hij je hond wilde zijn (Richman was tevens groot fan van Iggy), zong over verschrikkelijke ijsmannen in de supermarkt, vliegende bijen en monsters die feesten in het bos. Maar waar zij schreeuwden, was Jonathan rustig, clean, een beetje naïef en lief. En vooral heel erg oprecht.

Jonathan RichmanA Plea For Tenderness … en voor oprechtheid

En nergens hoor je die oprechtheid meer dan in ‘A Plea For Tenderness’, een negen minuten lang betoog van Richman, hier een klassiek gevalletje hopeloze romanticus. Corto, bassist van Mozes and the Firstborn, liet me dit nummer een keer horen op een dooie nacht in Eindhoven. In ‘A Plea For Tenderness’ schreeuwt Jonathan het uit, hij smeekt bijna, dat zijn meisje hem echt moet vertellen, ECHT moet zeggen wat er in haar omgaat. En je gelooft Jonathan, en je wilt het zelf ook (“ik wil ook zo’n meisje! EN DAN MOET ZE NIET OVER HAAR KATTEN PRATEN”). Om nu te zeggen dat ik bijna moest janken zou onnozel zijn, maar het is knap als een nummer dat ogenschijnlijk zo simpel is, je zo in je gezicht kan slaan. En dat is puur de verdienste van het verlangen in de stem van Jonathan. Dat komt veertig jaar later nog steeds messcherp binnen, zelfs als je met een dode Vedett in de La Folie in Eindje staat.

Raar genoeg kan Jonathan ook, of juist, zo oprecht zingen over dingen die als kinderachtig of frivool bestempeld worden. Zoals bijvoorbeeld ‘Abominable Snowman In The Supermarket’ (echter, bespeur ik daar toch een sociaal politieke ondertoon?) of ‘I’m Nature’s Mosquito’, maar toch altijd met die verdomde oprechtheid.

That Summer Feeling is gonna haunt you one day in your life

Waar ik gisteren het indrukwekkende stuk van Gijs Wilbrink las over de authenticiteit van Lana del Rey (die deels gestoeld is op een soort combi van vintage spijkerbroeken, VHS-banden en nostalgie) en haar recente ontmanteling van dat imago, daar zie ik Jonathan Richman als oprecht authentiek. Niet enkel omdat hij zijn succesvolle band achterliet omdat hij zich niet in de rol van frontman van rock ’n rollband zag, maar vooral ook doordat ik geloof dat het persona Jonathan Richman, ook echt Jonathan Richman was. De eeuwige jongen met de grote ogen die verwonderd naar de wereld kijkt. En wanneer die jongen een liedje over nostalgie schrijft, snijdt dat diep.

'That Summer Feeling' is te vinden op het album I, Jonathan

‘That Summer Feeling’ is te vinden op het album I, Jonathan uit 1992

Onze gitarist Sjors heeft het er vaak over dat de jaren 90 terug zijn. Dat zou kunnen, en het zou makkelijk zijn want dan hoeven we niks nieuws meer te bedenken. Mijn probleem is meer het willekeurig hanteren van nostalgie zoals: “Weet je nog, in de jaren 90?” Dat soort internetposts, daar krijg ik de tyfus van.

Nee, waar Jonathan Richman over zingt in ‘That Summer Feeling’ is iets persoonlijker, iets puurders. Nostalgie gaat niet over VHS-banden van Biker Mice, Teenage Mutant Ninja Turtles of Big Baby Pops (ook al zijn die dingen supercool, ik kom ook uit de 90s natuurlijk) die je makkelijk kunt delen op de interwebs. Nee, het smachtend verlangen naar het verleden, het terug willen van iets dat niet meer is, wordt het best beschreven door deze zin:

You pick these things apart they’re not that appealing
You put them together and you’ll get a certain feeling

Kunnen we daar een voetnoot voor krijgen in de Dikke Van Dale?

‘That Summer Feeling’ is een intens krachtig nummer omdat iedereen zichzelf er wel op een bepaalde manier in kan vinden. Iedereen is ooit jong geweest (met misschien uitzondering van je ouders, dat is namelijk moeilijk voor te stellen) en iedereen heeft in ieder geval een paar gelukkige herinneringen aan zijn jeugd. Ikzelf ben nog steeds jong, maar oud genoeg om me te realiseren dat dit waar is:

When even fourth grade starts looking good
Which you hated
And first grade’s looking good too
Overrated
And you boys long for some little girl that you dated
Do you long for her or for the way you were?

Godverdomme Jonathan. En nu snel weer dingen gaan doen want ooit ben ik ook geen 24 meer.

Tags: , , , , , , , , , ,

nummer van 12/07/2014 door

‘Brooklyn Baby’ van Lana Del Rey

Het probleem met authenticiteit

Lana Del Rey – Brooklyn Baby (Official Audio)

Het grootste probleem van de authentieke muzikant is dat deze nooit authentiek genoemd mag worden. Zodra dat ook maar één keer gebeurt, en al helemaal wanneer gesteld wordt dat het grote succes van de artiest samenhangt met deze authenticiteit, wordt deze zich ervan bewust en zal hij alleen maar zijn best blijven doen authentiek te blijven, waardoor alle authenticiteit voorgoed verdwenen is. Het bewuste besluit om een look, een stem of een manier van spelen juist niet te veranderen omdat deze succes oplevert is even onoorspronkelijk als het besluit om deze wél te veranderen. Wie denkt dat Tom Waits na zijn eerste recensies nog steeds even schouderophalend achter de piano ging zitten als hij dat eerder deed in de kroegen waar hij zijn dronkemanspoëzie na sluitingstijd voor drie straalbezopen idioten vertolkte, is naïef. Wie gelooft dat Bruce Springsteen zich niet bewust is van zijn imago als spijkerbroeken -en ruitjesoverhemden dragende goedzak evenzeer.

“Hij is zo gewoon gebleven” bestaat in mijn wereld niet en iedereen die wel eens langer dan vijftien minuten op televisie is geweest en daarna écht precies even gewoon is gebleven als daarvoor, heeft niet eens in de gaten gehad dat ie op televisie is geweest. Denken dat grote artiesten in staat zijn grootse muziek te maken, maar niet doorhebben hoe ze op mensen overkomen, is niet alleen een belediging voor hun intelligentie maar ook voor die van jezelf. Op het moment dat authenticiteit wordt benoemd is ze weg, als een schijnbeeld dat je in een ooghoek denkt waar te nemen en waar je snel je hoofd naar toedraait om het beter te kunnen zien. Weg. Wantrouw iedereen die het tegenovergestelde beweert. Geef degene die het tegenovergestelde over zichzélf beweert een welgemikt knietje.

HipsterBekende Persoonlijkheden daargelaten is er geen mens die meer lijdt onder het authenticiteitsvraagstuk dan de hipster; de groep mensen die alleen te definiëren valt doordat ze zo hard hun best doen niet onder een groep mensen geschaard te worden. Dit valt iedereen op, zelfs de hipster zelf, die dan ook vooral geen hipster genoemd wil worden maar wel graag wordt geroemd om zijn eigen creativiteit en originaliteit. Obscure singles of boeken steken slordig half uit een totebag, de ene look is nog ‘spontaner’ dan de andere. Het is dezelfde paradox. Ernst-Jan Pfauth beschreef al eens de baarden die een zekere nonchalance moeten uitstralen maar tegelijkertijd perfect bijgeknipt zijn en bovendien heerlijk fris ruiken door een heel potje baardcrème. Arjan van Veelen noemde ze marketingmarionetten, stuiterballetjes onder invloed van tijdgeest. Tim De Gier verklaart de hipster door de grote populariteit al lang dood als sociaal fenomeen. Het is verworden tot een modebeeld, een lot dat de subcultuur-die-geen-subcultuur-wilde-zijn al vanaf dag één in zich droeg. Ondertussen bepalen de baarden en de haarbandjes nog altijd het straatbeeld van mijn stad Utrecht, zijn de koffietentjes voller dan ooit en is het af en toe dringen bij de platenbakken. Modebeeld of niet, tot nu toe lijkt niemand genoeg problemen met het authenticiteitsvraagstuk te hebben om radicaal het roer om te gooien, om zich écht te gaan onderscheiden.

Lana Del ReyAls je (valse) authenticiteit alleen kunt doden door haar te benoemen, dan legt Lana Del Rey met ‘Brooklyn Baby’ een bom onder het hipsterdom van 2014. Wie anders ook dan Del Rey – die sinds haar eerste single al als fake bestempeld wordt en daarmee compleet vreemd is met het authenticiteitsprobleem – is hiertoe in staat? Toen ze akoestisch naam wilde maken als May Jailer, toen ze enige indie-credibility wilde opbouwen als Lizzy Grant, toen ze als Lana Del Rey eindelijk koos voor een imago als vintage prinses die in een verkeerde tijd werd geboren; niemand heeft haar ooit geloofd. Op haar nieuwste album Ultraviolence slaat ze de pop en r&b-invloeden over en gaat ze met producer Dan Auerbach all the way. Begeleid door een tremologitaar zingt ze verdrietige liedjes met de dramatiek van een gevallen Hollywoodster. Berekend, nep misschien, maar uitgewerkt met het vakmanschap dat alleen muzikanten bezitten die heel goed weten waar ze mee bezig zijn. Gelijk aan Waits en Springsteen, maar dan met een choquerende schaamteloosheid. Auerbach is in topvorm, Del Rey croont, fluistert en gilt.

HipsterEn ze benoemt. Ze benoemt de vriendjes in de bands, ze benoemt hoe ze Lou Reed-liedjes[1] proberen te spelen, hoe ze elkaar overtreffen met obscure beatpoëzie en jazzplaten. Niet veroordelend of treiterend, maar als een verromantiseerde jas die uitgerekend de koningin van de fake zo natuurlijk past dat het de ‘authentieke’ hipster een verontrustende spiegel voorhoudt. Op een bijna bespottelijk serieuze toon reduceert ze de pogingen om elkaar in originaliteit te overtreffen tot een paar kenmerken die we allemaal maar al te goed kennen. Zo oppervlakkig dat niemand na het horen van ‘Brooklyn Baby’ nog met een stalen gezicht durft op te scheppen over zijn poëziecollectie. Dat wordt nu misschien alleen nog de hobby van Del Reys jongere fans, popidolaten waarmee de echte hipster zich nooit zou willen associëren. Wellicht is 2014 het jaar dat de glans van de verzonnen authenticiteit langzaam wegvaagt. Zoals het succes van iets ultiem oncools als Hakkûhbar in 1997 een eind maakte aan de gabber, of zoals een televisieprogramma over singer/songwriters alle geloofwaardigheid uit dat genre zuigt. Het zal niet zo snel gaan als het schijnbeeld in je ooghoek, maar in ieder geval met een berekende doeltreffendheid en een niet minder dan perfecte soundtrack.

Well my boyfriends in a band,
He plays guitar while I sing Lou Reed,
I’ve got feathers in my hair,
I get down to beat poetry,
And my jazz collections rare
I can play most anything,
I’m a Brooklyn baby,
I’m a Brooklyn baby.

  1. [1] Lou Reed zou zelfs naar de studio komen om een deel van dit nummer in te zingen, maar hij overleed op de dag dat dit was gepland.

Tags: , , , , ,

nummer van 11/07/2014 door

‘Crazy’ door Patsy Cline

The Cline

Patsy Cline – Crazy

Willie Nelson schreef ‘Crazy’. Hij bracht het liedje ook uit, in 1962. Allemaal prima, maar weet je wat het is met Willie Nelson? Of eigenlijk, met zijn stem, zijn manier van zingen? Hij vertelt meer een verhaal dan dat hij zingt. En dat is dus het frappante: Nelson schreef ‘Crazy’, besloot het een beetje nonchalant in te zingen, alsof het een liedje voor tussendoor betrof, en veertig jaar later blijken er ineens meer dan honderd covers te bestaan waarin het niet meer om het verhaal gaat maar om de melodie. Nee wacht, om de stemacrobatiek van de zanger of zangeres die het liedje opnieuw ‘interpreteert’. Zingen om het zingen, snap je wel. Alsof je te maken hebt met een soort omgekeerde telefoonboom: in plaats van dat er details verloren gaan naarmate er meer mensen bij betrokken raken, komen er juist meer bíj. Laatst hoorde ik Lara Fabians versie van ‘Crazy’, uit 2009. Ik bedoel, maak er dan meteen een musical van. Crazy, Or: How The Song Got Crazier Over The Years. Nu in een theater bij jou in de buurt.

One of the guys

Willie Nelson schreef ‘Crazy’ voor countryzanger Billy Walker, die het beleefd afwees omdat hij het een ‘meisjesliedje’ vond. Ondertussen dacht Patsy Cline, toen al een gevestigde naam binnen het genre: prima joh, dan zing ik ‘m wel. Haar voorgaande hit, ‘I Fall To Pieces’, was namelijk aanvankelijk ook afgewezen om die reden, door Roy Drusky, een echte bink die je natuurlijk niet een zin als “I fall to pieces, each time I see you again” kon laten zingen. En dat terwijl Patsy juist als one of the guys werd gezien, aldus zanger George Riddle. In haar wereld was er geen verschil tussen ‘jongens-’ en ‘meisjesliedjes’. Diezelfde George haalt herinneringen op aan ‘The Cline’, een bijnaam die Patsy zichzelf had gegeven, in de documentaire The Real Patsy Cline uit 1986: “It wasn’t unusual for her to sit down and have a beer and tell a joke, and she’d never be offended at the guys’ jokes either, because most of the time she’d tell a joke dirtier than you! Patsy was full of life, as I remember.” Stiekem denk ik dat Walker en Drusky, luisterend naar enkele van hun grootste hits, het gewoon niet konden, ‘Crazy’ dan wel ‘I Fall To Pieces’ vertolken, omdat ze maar half gezegend waren met die befaamde country-snik die Patsy  zorgvuldig maar altijd doeltreffend inzette om haar verhaal te vertellen. Het was zo’n country-snik die van mensen beroemdheden maakte.

Patsy Cline – I Fall To Pieces

Auto-ongeluk

Haar roem was van korte duur, dat wel. Eerst was er dat zware auto-ongeluk met haar broer Sam in 1961, waardoor ze niet kon profiteren van het zojuist losgebarste succes van ‘I Fall To Pieces’. Maar ze ging door, zes weken na het ongeluk, met meer make-up op en pruiken dragend om de littekens te verbergen. En toen, nog geen twee jaar later, sloeg het noodlot werkelijk toe: ze stortte neer met haar privévliegtuig, op 5 maart 1963. Haar vriendinnen Dottie West, June Carter Cash en Loretta Lynn herinneren zich later dat Patsy het in haar laatste jaren steeds had gehad over een gevoel van onheil, over dat ze niet verwachtte lang te zullen leven. Patsy liet haar man Charlie Dick, met wie ze net zes jaar getrouwd was, en twee kinderen van vijf en twee achter. Ze was dertig en full of life, maar haar leven stopte voordat het daadwerkelijk kon beginnen.

No dough, no show

‘Crazy’ vond ze overigens, toen ze het nummer voor het eerste hoorde, maar niets. De compositie stond haar niet aan, maar de opnames verliepen vooral moeizaam omdat haar ribben nog steeds herstelden van het auto-ongeluk enkele maanden eerder. De hoge noten haalde ze nauwelijks. Waar ze normaal vier nummers in een studiosessie van drie uur opnam, had ze voor ‘Crazy’ alleen al vier uur nodig. Je weet inmiddels, ‘The Cline’ was een pittige tante. Ze gaf nooit op. Ze had controle over haar eigen carrière, wist zich staande te houden tussen de populaire mannen, zowel professioneel als in de omgang, en liet zich door niemand iets wijsmaken. Helemaal niet door concertpromotors, die na elke show beloofden te betalen en zich halverwege de set uit de voeten maakten. Op een gegeven moment zette ze hen voor het blok, zei ze doodleuk dat ze het podium niet opging voordat er geld op tafel kwam. “No dough, no show”; ze vertelde het maar wat graag aan het afwachtende publiek. Dat ze best wilde optreden, als ze maar zeker wist dat ze er niet voor niets stond. Want ze stond toch maar mooi elke avond op een of ander podium dat ze niet kende, kwetsbaar en gevoelig te wezen, de mensen een fantastische avond te bezorgen. Daar móest wat tegenover staan. Ze scheen de eerste van het groepje artiesten te zijn in die tijd die het zo aanpakte, en velen zouden haar voorbeeld volgen. Het was vriendin Dottie West die haar en haar kortstondige carrière uiteindelijk het meest treffend beschreef, op zo’n manier waarop iedereen na de dood wel beschreven zou willen worden: “It was common knowledge around town that you didn’t mess with ‘The Cline’.”


De meeste covers van ‘Crazy’ zijn te zijig voor woorden, maar met de versies van Cassandra Wilson en Norah Jones kun je gerust thuiskomen.

Tags: , , , , , , , , , , , ,

-->