nummer van 20/05/2013 door Kris Coorde

‘If I Gave You My Love’ van Myron & E

Steekt dit duo ook boven het maaiveld uit?

Er wordt vaak over terugkerende trends in popmuziek gesproken. Zo had Arja het eind vorig jaar nog over de door de jaren tachtig beïnvloede dreampop-trend. Geen idee of dat nu nog happening is, of dat het gros van de meest populaire bands nu een andere sound heeft. Eens om de zoveel vang ik wel eens dingen als de heropleving van grunge, de opkomst van het nineties-geluid, de stijgende populariteit van de klassieke singer-songwriter. Dat soort verhalen. Vaak ben ik hier amper van op de hoogte omdat mijn interesse er niet ligt. Die ligt bij de “zwarte” muziek. Soul, funk, jazz en dergelijke. Ja, ik weet het. Een paar jaar geleden was er sprake van een soul revival. Populairste exponenten: onder andere Amy Winehouse, Duffy en Adele.

Tot mijn grote verbazing stel ik vast dat die heropleving nu al een paar jaar goed stand houdt. Adele is nog steeds een hitmachine natuurlijk. Geen idee wat Duffy tegenwoordig nog doet en Amy heeft na haar vroege dood toch wel wat een mythisch aura verworven. Wat me vooral plezier doet, is dat de groep voorvechters van de klassieke soulsound (en ook de band achter Winehouse), de mannen van het New Yorkse Dap-Tone Records, steeds meer erkenning krijgen. Charles Bradley speelt deze zomer op het Rock Werchter Festival en ook Sharon Jones & The Dap-Kings, dat binnenkort met een nieuw album komt, oogst steeds meer succes. Zo’n hype in de hoogste regionen van de popmuziek is altijd maar het topje van de ijsberg. Bradley en Jones zaten lang onder water, maar steken nu ook boven de oppervlakte uit. De underground ontstegen. Dat lukte Aloe Blacc met zijn hit ‘I Need A Dollar’ ook. De kleine hiphoplabel Stones Throw had plots een gigantische hit op zak. Datzelfde label brengt nu weer een soulplaat uit, van het duo Myron & E. Zullen zij de status van Bradley, Jones en Blacc evenaren?

Worden deze jongens die nieuwe posterboys van de soulrevival?

Worden deze jongens die nieuwe posterboys van de soulrevival?

‘If I Gave You My Love’ is de eerste single van het nog te verschijnen debuutalbum van de zangers uit Los Angeles. Myron (Glasper) en E (Eric Cooke) leerden elkaar kennen toen ze op tournee waren met de hiphopband Blackalicious. Toch was er niet onmiddellijk sprake van een verdere samenwerking. Cooke ging solo door het leven als E da Boss. Op tour in Europa leerde hij The Soul Investigators kennen, een band wiens platen met Nicole Willis veel succes oogstten. Met een stapel onafgewerkte tracks van de Investigators keerde E terug naar de V.S., waar hij besloot om met oude bekende Glasper een soulduo, geen heel gebruikelijke samenstelling, te vormen. Na ‘Cold Game’, de debuutsingle uit 2008, is het nu dan tijd voor een eerste langspeler. Radiovriendelijk is het in ieder geval wel, dus wie weet zien we Myron & E nog wel op de Europese podia.

Tags: , , , , ,

nummer van 19/05/2013 door Hoite Polkamp

‘This Time’ van Life Of Agony

Onze gastblogger van vandaag is al jarenlang bezig het Nederlandse online muzieklandschap vorm te geven. Begonnen als webredacteur bij RELOAD Magazine, belandde Hoite Polkamp via de Nederlandse tak van MySpace bij het innovatieve V-Ventures. Sinds kort mag hij zich Marketing Manager bij Deezer noemen, waar hij deze nieuwe streaming muziekservice in Nederland op de kaart gaat zetten.

Als je iemand in mijn directe omgeving zou vragen wat mijn favoriete band is, zullen ze waarschijnlijk zeggen: de Midnight Juggernauts. Zeker m’n dj-makkers. Erg verleidelijk dus om een nummer van hun debuutalbum Dystopia te kiezen. Gevraagd naar een recente favoriet zou ik uitkomen bij een nummer als  ‘Was All Talk’, van de geniale laatste plaat van Kurt Vile.

Maar vandaag wil ik in een nostalgische bui terug naar een band die ik grijs heb gedraaid toen ik als boos mannetje van zeventien of achttien op een BMX door Groningen rondscheurde. In mijn walkman had ik enkele cassettes die continu rouleerden. De mindere albums werden overgetaped met nieuwe releases, de betere overleefden en kregen een ‘status aparte’. Een daarvan was River Runs Red, het debuutalbum van de New Yorkse band Life Of Agony. Als nummer van de dag heb ik gekozen voor ‘This Time’ , maar eigenlijk hoort hier het hele album River Runs Red te staan.

Doorbroken taboes en vermorzelde skateschoenen

Dit album groeide in mijn puberteit al gauw uit tot een soort culthit onder een kleine groep vrienden. Te midden van het lompe metalgeweld van Machine Head, Sepultura, Fear Factory en (oude) Metallica wat in deze groep vrienden de overhand had, was Life of Agony een vreemde eend in de bijt. Een die mij veel meer aansprak. Keith Caputo sprong er ontegenzeglijk uit met z’n hoge zang en sensuele, wat verwijfde presentatie, iets wat in de machocultuur die in de metalwereld heerste een volstrekt taboe was.

Life Of Agony - River Runs RedToen we erachter kwamen dat de band naar de Oosterpoort in Groningen kwam, moest en zou ik erbij zijn. River Runs Red was toen al enige tijd uit en hun tweede album Ugly stond op het punt om te verschijnen. Voor mij was dit het eerste ‘grote’ concert waar ik heen ging. Omdat het m’n eerste show ever was, nam ik me voor om het zo intens mogelijk mee te maken. Niet veel later stond ik als jonge, onwetende aap op m’n skateschoentjes tussen de vermorzelende kisten m’n tenen te bezeren midden in de pit. Woord voor woord blèrde ik elk nummer van River Runs Red mee. De nieuwe nummers van Ugly die ze speelden snapte ik toen nog niet en vond ik natuurlijk veel te soft, maar ik kon ze goed gebruiken om weer op adem te komen. Naderhand ging ik vol trots naar huis met een tourshirt, tot groot ongenoegen van m’n ouders, wat mij destijds natuurlijk nog meer plezier deed.

De teksten, zeker ook die van het nummer ‘This Time’, spraken tot de verbeelding van puberende, boze tieners. Little did I know dat veel van de teksten niet eens door hem waren geschreven, maar door de bassist Alan Robert, zoals in de prachtige documentaire van Lola da Musica aan het licht komt. Je kan je alleen maar voorstellen hoe oncomfortabel dat voor een frontman moet zijn geweest, om die emotionele teksten van iemand anders zo te vertolken.

Toen onze Mina nog een Keith was

Toen onze Mina nog een Keith was

Van het podium naar de buurtsuper

In de jaren daarop ontwikkelde Keith Caputo een hechte band met Nederland. Ze kwamen hier regelmatig toeren en Keith liet in een aantal interviews weten dat hij graag in Nederland zou willen wonen. In de tussentijd verhuisde ik zelf naar Amsterdam om te gaan studeren en nam ik een bijbaantje in een grand café. Mijn muzieksmaak ontwikkelde zich verder maar altijd hield ik Keith Caputo en zijn soloprojecten in de gaten. En zo gebeurde het dat Keith op een zonnige middag met een klein hondje aan de lijn het café binnen kwam lopen waar ik op dat moment aan het werk was. In een keer was ik weer als een starstruck puber en wist ik niet meer wat ik moest zeggen tegen het kleine mannetje in z’n bloemetjesblouse. Later kwam ik hem nog wel eens tegen in de Albert Heijn. Stond hij bij de groenten te twijfelen welke tomaten hij moest kopen.

Onlangs is er veel te doen geweest om zijn sex change, waarin hij zich heeft laten verbouwen tot Mina Caputo. Een zanger uit een metalband die zich laat ombouwen tot een vrouw, dat is nogal wat. Maar als je je enigszins in hem verdiept, is het haast een kleine stap. Ik herinner hem liever door hun debuutalbum waarmee Life of Agony destijds een enorme impact had op de metalscene.

Tags: , , , , , , , ,

nummer van 18/05/2013 door Gabriela van der Lans

‘Overgrown’ van James Blake

Een enthousiaste maker

Deze week hoorde ik in de metro het volgende gesprek: “Heb je die nieuwe Transfomers-film gezien?” “Nee.” “Hij kwam van de week op tv. Putain, ik kreeg er gewoon hoofdpijn van! Wij kunnen dat gewoon niet meer aan, we zijn te oud voor die dingen! Het gaat veel te snel!” Franse snobs van boven de 60? Fout! Essaie encore. Deze jongens waren niet ouder dan 30.

Het gevoel dat ze beschrijven is herkenbaar. En het geldt niet alleen voor films; het geldt net zo goed voor muziek. Het voelt vreemd te bedenken dat de muziek die ik straks aan mijn kinderen zou willen introduceren als ‘pop uit mijn tijd’ zo vaak lijkt te bestaan uit ofwel rappers die electropop maken, ofwel gitaarliedjes die na twee maten in trance-hits uitbreken. Is het overdreven te zeggen dat je je hierdoor soms een beetje misgerepresenteerd kunt voelen? Is er niet meer te halen uit de mogelijkheden van deze tijd?

In 2011 was daar James Blake met een vreemd soort 90s dub-R&B, volledig uitgekleed, met bassen zo diep dat de glazen er van gingen trillen. Een mix van genres, oud en nieuw, het maakte niet zoveel uit wat, het raakte de goede snaar. (Ik kan me herinneren Blake te horen blozen op de Engelse radio toen de DJ na een extatische aankondiging van zijn gast eindigde door te zeggen dat Blakes muziek niets minder was dan “the new jazz.”) Het klonk als iets intelligents, van nu, voor ons. Zijn tweede album Overgrown is nog steeds precies dat, en beter.

‘Overgrown’ – de titeltrack – zong Blake om 5 uur ‘s ochtends in, thuis, na uren in een vliegtuig gezeten te hebben vanuit L.A. Drie uur later was hij klaar. Hij sliep de rest van de dag uit en toen hij wakker werd, realiseerde hij zich dat hij waarschijnlijk die nacht de opening van zijn volgende album opgenomen had.

En wat een opening. ‘Overgrown’ is tegelijkertijd een verassing en een herkenningspunt. Het klinkt als iets wat iemand die enthousiast is over de cultuur van vandaag zou willen maken en James Blake klinkt als iemand die zelf hongerig en gemotiveerd is iets te doen met wat er om hem heen gebeurt. Er is geen betere manier om je luisteraars te motiveren.

Bekijk hieronder zijn Coachella-set van 2013. Doe het.

Tags: , , , ,

nummer van 17/05/2013 door Arja van den Bergh

‘Change’ van Mikal Cronin

Liedjes-liedjes, een album vol

Hij bracht net zijn tweede album uit, stond een paar dagen geleden in Paradiso’s bovenzaal en is morgen te bewonderen op Le Guess Who in Utrecht. Vandaag kan er maar over één jongen geschreven worden: Mikal Cronin. Zijn fuzzy gitaarpop, waarin zowel gruizige garagerock als valsige pianomelodieën en enkele zinderende vioolpartijen doorklinken, ligt vreselijk lekker in het gehoor. Op MCII staan, meer nog dan op Cronins naamloze debuut uit 2011, echte liedjes-liedjes, geschreven door iemand die met een redelijke stem en aardig gitaarspel alleen nooit zo ver zou zijn gekomen. En dan nog, de sound die stem en gitaarspel naar een hoger plan tillen is zelfs niet vernieuwend, niet gewaagd. Want we kennen ze inmiddels wel: kids uit de jaren negentig met hun grungy voorkomen en dito referentiekader, hevig in de ban geraakt van de sixties, geestelijk vader van muziek die al voor hun geboortejaar werd gemaakt. Evengoed hebben goede liedjesschrijvers een loos criterium als vernieuwing maar nauwelijks nodig als het erom gaat de luisteraar te behagen. Want dat doet Mikal Cronin: behagen. Alle tien liedjes op zijn nieuwe album hebben een hook, verrassen je met iets kleins, iets groots, vaak een onverwachte melodieuze wending of een uit de bocht vliegende solo zoals we voorheen alleen, dachten we, van Dinosaur Jr. gewend waren mooi te vinden.

Mikal Cronin

‘Change’ zit in het ruigere spectrum van MCII, maar is een nummer dat in Cronins tijd als bassist bij makker Ty Segall (vorig jaar nog tijdens Le Guess Who) zeker tot het softere werk zou zijn gerekend. Misschien komt dat door het catchy refrein, The Posies-achtige ingehouden zang die nooit té onverschillig klinkt of de outro die zich geleidelijk ontdoet van het stof en zich openstelt voor schoonheid, gestuurd door een opbouw waarin ineens plek is voor een wel erg breekbaar instrument, dat desondanks meer dan eens de show steelt in zijn nummers: de viool. Over onverwachte wendingen gesproken: is de gezongen toon die uit het niets de hoogte ingaat op 0:51 niet precies het soort omslag waar elke songwriter (onbewust) naar zoekt? De wending die het cliché, de grondtoon, het voorspelbare vermijdt; Cronin strooit er op zijn album mee in het rond. Een ogenschijnlijke truc die eigenlijk geen truc kan zijn, gezien de verscheidenheid aan bruusk materieel die hij weet in te zetten.

Goede popliedjes schrijven is één ding, een clip laten maken die het perfecte decor vormt van een liedje als ‘Change’ is zonder te overdrijven het beste wat je als band kunt doen om je sound, de sfeer die je wil overbrengen, te vervolledigen. Wat een heerlijk tafereel schetst Mikal Cronin, of eigenlijk Claire Marie Vogel, met bovenstaande clip. Een huisfeestje zoals mijn generatie, de van hedonisme betichte generatie, ze kent uit het echte leven, uit films en series (Girls!). Iedereen ademt uit: alleen deze avond telt, alleen bij deze mensen wil ik zijn, alleen deze melodie van deze band is het losgaan waard.

Tags: , , , , , , , , , , ,

nummer van 16/05/2013 door Johan Vogels

‘Shut Up’ van Savages

Wrong place, wrong time

Er was wat te kiezen gisteravond in Amsterdam als je van indie- en gitaarmuziek houdt. Allah-Las speelde een gratis show in Club Ziggo tegenover de Arena (waar Chelsea diezelfde avond de Europa League won). In de bovenzaal van Paradiso kon je naar Veronica Falls gaan kijken. En iets verderop, in de Melkweg, maakte Savages haar opwachting.

De overweging zou een stuk makkelijker worden als ik had besloten naar het Leidseplein te gaan. Eerst Veronica Falls in Paradiso en daarna Savages in de Melkweg zou makkelijk te combineren zijn. Maar Veronica Falls had ik al een keer gezien, Allah-Las niet en die staat weliswaar eind deze maand in de Melkweg, maar dat optreden is al een tijdje uitverkocht.

Savages in Brooklyn

Savages in Brooklyn

Dus bleef Allah-Las versus Savages over. Ik heb die Allah-Las-plaat een tijdje geleden helemaal grijsgedraaid, hem daarna een tijdje opgeborgen, om het album vorige week weer tevoorschijn te halen om mezelf op te warmen voor deze show. Hoewel ik in eerste instantie de plaat helemaal beu was – wel erg zoetsappig en veel herhaling wat betreft ideeën – genoot ik er vorige week weer met volle teugen van. Ik wilde ze graag zien.

Rumoer

Savages daarentegen vond ik maar moeilijk in te komen. In mijn omgeving zwol het rumoer rondom deze band de afgelopen weken aan. Iemand tipte de muziek, een ander zei dat het de beste band was die hij op Into The Great Wide Open had gezien, Pitchfork gaf de meest recente plaat een 8,7 en maakte een spectaculaire cover story (met bewegende beelden en alles). Ondanks dat ik een kritische houding tegenover Pitchfork toejuich, weet bijna iedereen dat je even moet opletten als dit gebeurt met een relatief jong en onbekend bandje. Dus ik ging het luisteren, om zo tot een keuze te komen wat ik met mijn woensdagavond zou gaan doen.

Savages-Silence-Yourself-608x608In de kleine heisa omtrent Savages, had ik eigenlijk nog niet de moeite genomen om me echt in te lezen. Eerlijk gezegd dacht ik dat het om hippe en poppy gitaarmuziek zou gaan. Zo’n bandje dat het leuk vindt een ruige naam aan te nemen om het contrast met de muziek te vergroten. Ironisch, ofzo. Ik was dan ook licht verbaasd toen de muziek een donkere, verbeten, hectische, dramatische en wilde new wave bleek. Met van die nummers die pijnlijk abrupt variëren tussen couplet en refrein.

Daarnaast had ik wel veel sympathie voor de vier vrouwen uit Londen. Tijdens eerdere optredens deden ze een beroep op het publiek om hun telefoons in hun broek te laten zitten, zodat ze niet de halve avond naar de voorkant van mobieltjes staan te kijken, maar ook de gezichten van de toeschouwers kunnen zien. En ze hadden een soort van ‘filosofie’: muziek gebruiken om onze levens anders te ervaren. Dit kon heel veel verschillende kanten op, ging het door mijn hoofd: pretentieus, rammelig, een zootje, te hip. Maar met de drive van deze band en het juiste moment zou het ook geweldig kunnen worden. Moeilijk.

Indrukwekkend

Live

Live

Ik vond het interessant, maar uiteindelijk koos ik toch voor de gratis show van Allah-Las in Ziggo Dome. Ik wilde die band toch eens zien. Daar kreeg ik iets langer dan een half uurtje een redelijk ongeïnspireerd optreden voor mijn kiezen dat gemankeerd werd door technische probleempjes (nare piepen, uitvallende monitoren, een band die daarover klaagt). Op de terugweg greep ik naar mijn telefoon om te zien of mijn vrienden die naar Savages gingen al iets hadden gezegd over die show. Ik heb hun mening erg hoog zitten en was benieuwd naar hun ervaringen. Terwijl ik achter mij hoorde dat er in de Arena werd gescoord, las ik van een van mijn vrienden: ‘Savages heel erg goed’. Iemand anders schreef: ‘Eén woord: indrukwekkend.’ Het gejuich hield aan, het waren de Engelsen. Ik was op de foute plek op het foute moment geweest.

Tags: , , , , ,

nummer van 15/05/2013 door Gijs Wilbrink

‘Today Was A Good Day’ van Ice Cube

Wanneer was die dag nou precies?

Anouk en staatssecretaris Weekers kunnen het erover eens zijn: gisteren was het een goede dag. Als we Ice Cube moeten geloven, heeft hij ooit ook tenminste één goede dag gehad, hoewel dat niet van zijn stalen gezicht in de videoclip af te lezen valt. Het zal wel een gangsta-ding zijn, rappen over een goede dag zonder ook maar één glimlach te laten zien. Maar wanneer speelde Ice Cubes goede dag zich eigenlijk precies af? Dat vroeg blogger Donovain Strain zich vorig jaar nou ook af, en hij kwam dankzij Ice Cubes eigen songtekst en een bijna NCIS-achtige onderzoeksdrift met een antwoord:

CLUE 1:
“Went to short dogs house, they was watching Yo MTV RAPS”
Yo MTV RAPS first aired:
Aug 6th 1988

CLUE 2:
Ice Cubes single ‘Today Was A Good Day’ released on:
Feb 23 1993

CLUE 3:
”The Lakers beat the SuperSonics”
Dates between Yo MTV Raps air date AUGUST 6 1988 and the release of the single FEBRUARY 23 1993 where the Lakers beat the SuperSonics:
Nov 11 1988     114-103
Nov 30 1988    110-106
Apr    4 1989    115-97
Apr  23 1989    121-117
Jan  17 1990     100-90
Feb  28 1990    112-107
Mar  25 1990    116-94
Apr  17  1990    102-101
Jan  18  1991     105-96
Mar  24  1991    113-96
Apr  21  1991     103-100
Jan  20  1992    116-110

CLUE 4:
Dates of those Laker wins over SuperSonics where it was a clear day with no smog:
Nov 30 1988
Apr 4  1989
Jan 18  1991
Jan 20  1992

CLUE 5:
“Got a beep from Kim, and she can fuck all night”
Beepers weren’t adopted by mobile phone companies until the 1990s. Dates left where mobile beepers were availible to public:
Jan 18 1991
Jan 20 1992

CLUE 6:
Ice Cube starred in the film Boyz In The Hood that released late Summer of 1991, but was being filmed mid-late 1990 early 1991 and Ice Cube was busy on set filming the movie Jan 18 1991 too busy to be lounging around the streets with no plans. Ladies and Gentlemen, the ONLY day where:
- Yo MTV Raps was on air
- It was a clear and smogless day
- Beepers were commercially sold
- Lakers beat the SuperSonics
- And Ice Cube had no events to attend was…

JANUARY 20 1992.

Briljant. Strain roept de dag voor het gemak meteen maar uit tot National Good Day Day. Met zo’n vondst heb je alle recht, toch? Blogger Pandemonium dacht daar anders over. Piepers waren in 1988 al beschikbaar, beweert hij. Dat feit, samen met nog wat ander bewijs, maakt dat National Good Day Day eigenlijk op 30 november 1988 was. Klein detail: Ice Cube heeft het in zijn liedje over een vrijdag, maar de dag van Pandemonium is een woensdag. Verwarring alom.

Gelukkig was het online magazine Moviefone zo slim om de rapper zelf te vragen naar de exacte dag dat hij zich nu zo goed voelde. Hoewel, zo heel gelukkig hoeven we niet met zijn antwoord te zijn. Als een ouderwetse party pooper maakt Ice Cube een eind aan de discussie:

It’s a fictional song. It’s basically my interpretation of what a great day would be. Do you know what I’m saying? So, you know, it’s a little of this and a little of that. I don’t think you can pinpoint the day.

Arme Ice Cube. Hij weet precies te omschrijven welke ingrediënten nodig zijn om een goede dag te beleven, maar toen op maar liefst twee dagen in de geschiedenis alles precies op zijn plek viel, had de beste man zelf niets door. Tragisch. Gelukkig hebben we altijd de internet meme nog.

Ice Cube meme

Tags: , , , , , ,

nummer van 14/05/2013 door Martijn Koetsier

‘Renegade’ van Thin Lizzy

Een zoektocht die nooit eindigt

Toen ik bijna twee jaar geleden werd gevraagd om voor dit blog te schrijven, was mijn eerste voornemen om een stuk over Thin Lizzy te schrijven. Over welk nummer wist ik nog niet precies, maar dat er aandacht moest worden besteed aan één van mijn favoriete bands stond voor mij vast. Ondertussen zijn we twee jaar verder en is Arja me al deels voor geweest met een prachtig verhaal over Phil Lynott. Eigen schuld, had ik maar eerder moeten kiezen. Want dat het zolang heeft geduurd voor ik iets schrijf over mijn Ierse rockhelden is eigenlijk vooral te wijten aan eindeloos wikken en wegen.

Thin Lizzy - Phil LynottKeuzes, keuzes, keuzes …

Moest ik iets gaan schrijven over ‘Emerald’, het nummer waardoor ik ooit echt goed naar Thin Lizzy ben gaan luisteren nadat ik Mastodon het live hoorde spelen? Of over megahit ‘The Boys Are Back In Town’? Misschien wat te voor de hand liggend, dus wellicht één van de nummers waarop gitaristen Scott Gorham en Brian Robertson voor het eerst hun onsterfelijke twin leads speelden zoals ‘Suicide’ of ‘Wild One’. En dan heb je natuurlijk ook nog albums als Bad Reputation, waarvan alleen de A-kant al uitsluitend kandidaten voor een nummer van de dag bevat.

Hier ging ik niet uitkomen, dus besloot ik me voor een frisse blik juist eens te richten op de albums van Thin Lizzy die ik het minst luisterde. Van de eerste twee, Thin Lizzy (1971) en Shades Of A Blue Orphanage (1972), wist ik al vrij snel waarom dat ook al weer zo was. Te veel folkinvloeden, slechte opnames, niet te volgen psychedelische intermezzo’s en vooral een algeheel gebrek aan visie. Evenmin als de eerste twee platen van Thin Lizzy draai ik ook de laatste twee nauwelijks. En gek genoeg wisten die me na al die jaren ineens een stuk meer te boeien.

Kort door de bocht: van Renegade uit 1981 stond de gladde productie me maar niks aan en van de lege spierballensound op het in 1983 uitgebrachte Thunder And Lightning wilde ik eigenlijk ook niks weten. Jaren later zijn ze nog steeds geen favorieten, maar kan ik ze wel veel beter aanhoren. Dat komt vooral door het lezen van de biografie Thin Lizzy, geschreven door Alan Byrne. Eerlijk gezegd een nogal taai boek, maar wel boordevol interessante achtergrondinformatie waarmee deze twee laatste albums voor mij een stuk beter te begrijpen zijn.

Thin Lizzy - RenegadeDe weg kwijt

Zoals bijvoorbeeld bij Renegade, het een-na-laatste album van Thin Lizzy voordat de band in september 1983 uit elkaar ging. Nadat Lynott in 1981 een succesvolle soloplaat had uitgebracht was het tijd om Thin Lizzy weer op de kaart te zetten. Het aanvankelijke succes in Amerika was tanende en eigenlijk had niemand een idee waar het met de band naartoe moest. Sterker nog, niemand wist eigenlijk of er gewerkt werd aan een nieuw album van Thin Lizzy of een volgende soloplaat van Lynott.

Om de moraal weer wat op te krikken en aandacht op de band te vestigen werden er wat shows geboekt.  Op de agenda stonden onder meer de kolossale National Bowl in Milton Keynes in Engeland en een pracht van een thuiswedstrijd in het Ierse Slane Castle, waar Thin Lizzy het eerste festival ooit op die inmiddels legendarische plek zou headlinen. Helaas werd het concert in Milton Keynes een ramp. Het stadion met een capaciteit van 65.000 toeschouwers verwelkomde nog geen 10.000 fans, die vervolgens in de stromende regen een waardeloos concert aanschouwden dat voornamelijk te wijten was aan Lynotts beschonken toestand.

Thin Lizzy Slane CastleEen wankele balans

Het concert in Slane Castle werd gelukkig een groter succes. In een poging om voorprogramma en steeds populairder wordende stadsgenoten U2 af te troeven werd er een helikopter gehuurd waarmee Thin Lizzy een onvergetelijke entree zou maken. Terwijl het voorprogramma nog speelde kwam Thin Lizzy met de helikopter aangevlogen, zo laag dat het publiek met gemak de breed grijnzende Lynott kon zien, twee vuisten in de lucht en klaar om het kasteel te veroveren. Met een publiek dat voor aanvang al gek van opwinding was, kostte het Thin Lizzy geen enkele moeite het amfitheater plat te spelen.

Dat gebrek aan balans, dat intensief heen en weer sloeg tussen ellende en groot succes, was tekenend voor Thin Lizzy in die periode. Muzikaal was de eenheid in de band zoek en ook Lynotts problemen met drank en drugs hielpen niet echt. Een van de positievere momenten in deze periode was de samenwerking met gitarist Snowy White. Die had zich als nieuwkomer op het album Chinatown (1980) al bewezen als een aanwinst en kreeg op Renegade een nog grotere rol als songwriter toebedeeld.

Het eeuwig dwalende jochie

De inspiratie voor het titelnummer en daarmee ook de titel voor de plaat kreeg Lynott toen hij uit pure frustratie de studio maar weer eens verruilde voor de kroeg. Hij zag op straat een jochie fietsen met een spijkerjack waarop het Thin Lizzy-logo geborduurd was met daaronder het woord renegade geschreven. Het zou het zoveelste nummer worden uit Thin Lizzy’s oeuvre waarin Lynott zingt over een jongen die zijn eigen weg gaat en niet in de gewone wereld past, maar dit keer verwoordde hij het misschien nog wel het mooist van allemaal.

But he is a king, when he’s on his own,
He’s got a bike, and that’s his throne.
And when he rides, he’s like the wind,
To you and me, he’s a renegade.

Maar eigenlijk is het veel meer dan de tekst waardoor ik dit nummer alsnog heb leren waarderen. In het licht dat het boek van Byrne op de opnames van Renegade werpt, hoor je ineens de vermoeidheid in Lynotts stem. Alsof hij eigenlijk niet meer kan, maar toch nog zo graag wil. En die strijdlust is gelukkig ook nog steeds te horen. Luister maar eens naar het vierde refrein, dat op 1:47 begint. Kracht, passie, wanhoop, allemaal is het weer even in één zanglijn te horen. Alsof de problemen ver weg zijn en het veroveren van de wereld met zijn bandje weer net als vroeger zijn enige drijfveer is.

Tags: , , , , ,

-->