nummer van vandaag door

‘Cancer’ van Joe Jackson

Het dodelijke liedje: deel I

Joe Jackson – Cancer (+LYRICS)

Je kunt overal een liedje over schrijven, dus ook over ebola. De ernstige infectieziekte die momenteel op nietsontziende wijze slachtoffers maakt, is geen voor de hand liggend onderwerp om over te zingen of te rappen. Toch zul je versteld staan over de hoeveelheid nummers die over ziektes in het algemeen zijn geschreven, alsof die net als de liefde en de dood óók gewoon bij het leven horen. En toch. Een liedje over depressie is stukken beter behapbaar omdat we de ziekte enigszins kennen en omdat we mensen kennen die aan die ziekte lijden (volgende week in deel II van Het dodelijke liedje). Ebola kennen we maar nauwelijks en omdat het nog niemand die we kennen is ‘overkomen’, lijkt het op het eerste gezicht een onderwerp dat niet makkelijk in woorden of zoiets banaals als beats te vatten is.

Hipco

Het eerste nummer dat ik over de ziekte hoorde, doet evenwel een aardige poging. Het liedje valt onder een muzikaal genre dat binnen de landsgrenzen van Liberia is ontstaan – het West-Afrikaanse land dat de meeste doden betreurt (de teller staat op 2705 doden). Het genre heet Hipco (‘co’ is een afkorting van colloquial – spreektaal): een mix van Amerikaanse hiphop en het door het volk gesproken Liberiaanse (‘Kreyol’) Engels. De muziekstroming, die zich sinds de jaren 80 aan de hand van politieke en sociale thema’s ontwikkelde, is met name populair bij jongeren, al was het maar om zijn catchy beats, Afrikaanse ritmes en strijdvaardige, hoopvolle teksten. De stroming heeft een handjevol populaire artiesten voortgebracht: o.a. Sundaygar Dearboy, Takun J – “If we don’t speak up against the ills in society, who will?” NassemanF.A., Soul Fresh en DenG. Het is dus niet zo gek dat de laatste drie afgelopen zomer de handen ineensloegen en de pakkende hit ‘Ebola Is Real’ uitbrachten. Knowlegde is power: het liedje biedt broodnodige informatie omtrent ebola, informatie die op andere manieren moeilijk de samenleving bereikt, samengevat in drie rake zinnen:

1. “It’s real, it’s time to protect yourself, ebola is here.”
2. “When your monkey want play, don’t play with him.”
3. “The only way you can get Ebola is to get in direct contact with the blood, saliva, urine, stool, sweat, semen of an infected person or infected animal.” [1]

Reële ziekte

Ebola is een vreselijke ziekte en ‘Ebola Is Real’ verkondigt een levensreddende boodschap, maar de ziekte is voor velen van ons iets waarover we (vooralsnog) alleen nog maar lezen of horen. Er zijn ziektes die ‘dichterbij’ komen, waarvoor we een reëele angst koesteren, die net zo goed nietsontziend zijn en waar mogelijk iedereen in dit land al eens mee te maken heeft gehad. Kanker. Ook niet zo’n gezellig onderwerp om over te zingen. En toch. Je kunt er niet omheen, niet om de ziekte en niet om geciteerde wetenschappers in nieuwsberichten die weer eens waarschuwen voor iets waar je de ziekte mogelijk van kunt krijgen. Is er tegenwoordig nog iets waar je géén kanker van krijgt, vragen veel mensen zich dagelijks af, terwijl ze verward hun boodschappenkarretjes door de supermarkt duwen.

‘Cancer’

De Britse muzikant Joe Jackson (1954) is iemand die daar in 1982, hij was toen 28, een beetje cynisch over deed. Er gingen toen nog niet zoveel mensen dood aan kanker als nu, dus laten we de bitterheid die uit het liedje klinkt vooral opvatten als een aanklacht tegen het moderne leven, waarin níets meer veilig lijkt te zijn en álles kankerverwekkend. Het betreffende nummer, met de toepasselijke titel ‘Cancer’, staat op Jacksons vijfde plaat Night and Day, een album dat meer dan een miljoen keer werd verkocht en hem een gouden plaat opleverde. Dat lag vooral aan hits als ‘Steppin’ Out’ en ‘Breaking Us In Two’, maar het zou zonde zijn om dit bol van cynisme staande, spottende liedje in de kast te laten verstoffen. Grappig detail: als je niet naar de tekst luistert, heb je dankzij de met salsa geïnfecteerde pianoklanken nooit door dat het hier over een dodelijke ziekte gaat.

Een klein joch

“This one is all about how everything that’s enjoyable is bad for your health. Do you understand that? It shouldn’t be taken too seriously.” Zo kondigde Joe Jackson zelf zijn liedje aan, te zien op deze live-versie. Alles wat leuk is, mag niet meer. Alles wat lekker is, moet worden verbannen. Jackson klinkt, hoewel doelbewust, als een klein joch waartegen constant ‘nee’ wordt gezegd. Toch voelen we zijn pijn. En híj mag erover zingen, als kunstenaar. Zingen, zeuren en jammeren over iets waar de rest van de wereld zonder begeleidende muziek niet mee wegkomt. ‘Cancer’ redt misschien geen levens zoals F.A., Soul Fresh en DenG dat afgelopen zomer beoogden met ‘Ebola Is Real’, maar het is 32 jaar later nog even actueel en schrijnend dankzij de vele nieuwe manieren waarop de ziekte je leven kan binnendringen.

Everything gives you cancer
There’s no cure, there’s no answer
Everything gives you cancer

Don’t touch that dial
Don’t try to smile
Just take this pill
It’s in your file

Don’t work hard
Don’t play hard
Don’t plan for the graveyard
Remember -

Everything
Everything gives you cancer

  1. [1] Bron.

Tags: , , , , , , , , , , , , , , ,

nummer van 23/10/2014 door

‘Funny How Time Slips Away’ door Jimmy Elledge

Altijd tijd voor een mooi liedje

Funny How Time Slips Away By Jimmy Elledge

Eendagsvliegen, one hit wonders. We bedoelen er vaak artiesten mee die kortstondig populair zijn, om daarna te verdwijnen uit het collectieve bewustzijn van het grote publiek. Jaren later staat zo’n zanger dan op een camping of buurtbingo wat top 40-hitjes te zingen. Schraal bier op tafeltjes om hem heen, de muziek staat op een meegebracht cd’tje, wat bakjes door bier verpeste pinda’s en een handvol mensen die bij dat ene hitje van hem ineens opkijken en tegen elkaar zeggen: “Oh ja, daar was hij van.”

Jimmy_Elledge_-_Funny_How_Time_Slips_Away.170x170-75Jimmy Elledge is een letterlijke one hit wonder. Dat betekent dat hij slechts één keer in zijn leven in de top 40 terecht is gekomen met een liedje. Dat was in 1961.

Chet Atkins

De in 1943 geboren Elledge had als 18-jarig zangtalent een cassette van hemzelf naar producer (en bekende gitarist) Chet Atkins gestuurd. Die zag wel brood in hem en bezorgde hem een plekje op platenlabel RCA waar hij producer was. Elledge nam al snel ‘Funny How Time Slips Away’ op. Met dat nummer haalde hij in 1961 de 22e plek in de Billboard Top 100. Het plaatje ging tot op heden meer dan zes miljoen keer over de toonbank.

Jimmy Elledge tegenwoordig

Jimmy Elledge tegenwoordig

Een echte hit, maar daar bleef het bij. Elledge zal gehoopt hebben op een flitsend begin van zijn muzikale carrière. Na het initiële succes nam hij muziek op voor Hickory Records, bekend van zanger Donovan, en wat kleinere labels. Het echte succes bleef daarna uit. In plaats daarvan verhuisde hij naar New Orleans waar hij nog jarenlang een graag geziene gast was en bleef optreden.

Willie Nelson

Toen ik dit nummer voor het eerst hoorde, moest ik echt opzoeken of ik nou een zwarte of blanke zanger hoorde. Voor een 18-jarige heeft Elledge een schitterende stem, waarvan het lijkt alsof die al vele levensjaren heeft moeten bezingen.

‘Funny How Time Slips Away’ is geschreven door Willie Nelson, jaren voordat hij een bekende muzikant werd. Nelson zou pas in de jaren 70 zijn eerste echte successen boeken. Het nummer is een standard geworden die door tientallen zangers en zangeressen is opgenomen en uitgebracht. Luister maar eens naar de versies van The SupremesElvis Presley, Bryan Ferry en Homer Simpson en Linda Ronstadt. Allemaal zingen ze het op hun eigen manier, maar blijven ze heel dicht bij het origineel. Een echt goed liedje heeft het helemaal niet nodig dat je het als artiest helemaal eigen maakt. Je moet het gewoon met liefde en plezier willen zingen, zoals het bedoeld was.

Tags: , , , , , , ,

New Radicals – You Get What You Give

Found Star: New Radicals’ Gregg Alexander Grants First Interview in 15 Years (Exclusive). Als je hart vorige week bij het lezen van deze kop een sprongetje maakte, hoor je bij de mensen die in 1998 verliefd waren op het New Radicals-liedje ‘You Get What You Give’. Maar het kan goed dat je dat liedje en de bijbehorende frontman allang vergeten was; leadzanger Gregg Alexander verdween kort na het succes van de band namelijk volledig uit de schijnwerpers. In het interview met The Hollywood Reporter vertelt hij openhartig waarom hij vijftien jaar geleden afstand nam van roem en wat hem nu weer motiveert naar buiten te treden. Voor iedereen die weet hoe goed het voelt om de zin “1, 2, 1, 2, 3, AOU!” te zingen, was dit een gaaf moment.

De context: Gregg Alexander is een jongen die het op talent, lef en geluk ver schopte in de muziekindustrie. Hij groeide op in een familie waar muziek belangrijk was, maar niet om je brood mee te verdienen. Alexander, een rebelse tiener, was bereid het tegendeel te bewijzen. Hij verhuisde op zijn 16e van Detroit naar L.A. om rockster te worden en slaagde erin tot drie keer toe platencontracten te tekenen bij grote labels. Bij de derde plaat Maybe You’ve Been Brainwashed Too (1998) was het raak. ‘You Get What You Give’ werd een teenage anthem, geprezen door het publiek en medemuzikanten. Joni Mitchell zei bij het horen van het nummer voor het eerst in lange tijd weer greatness gehoord te hebben. Alexander had kunnen profiteren van zijn succes, maar de industrie en geldmachines waar hij automatisch mee te maken kreeg, strookten niet met zijn idealen en dwongen hem vroegtijdig te stoppen met de band.

De teleurstelling was er al voor ‘You Get What You Give’: Alexander voegde in de bridge van het liedje, pal naast de maatschappijkritische teksten, een aantal neproddels toe over Beck, Hanson, Courtney Love en Marilyn Manson om te testen waar de media zich op zou focussen. Journalisten raakten niet uitgepraat over de ruzies waar Alexander zogenaamd in verwikkeld was – hij had zijn antwoord. De grote promotiemachine en toernee voor de derde New Radicals-plaat moest toen nog beginnen. Een paar dagen nadat de release van de tweede single ‘Someday We’ll Know’ werd aangekondigd, verscheen een persbericht van Alexander met het nieuws dat New Radicals stopte.

Als het alleen aan de muziek en het contact met de fans had gelegen, had Alexander nog jaren door kunnen gaan. Zijn baan als muzikant vereiste echter ook een hoop oppervlakkig gezichtsvertoon waarvoor hij zijn enthousiasme op een gegeven moment niet eens meer kon veinzen. Zijn karakteristieke hoedje schoof steeds verder voor zijn ogen om het verdriet te verbergen. In het interview met The Hollywood Reporter worden Alexanders idealistische standpunten kraakhelder als hij ontroerd raakt bij de vraag wat op jonge leeftijd zijn visie was op zijn carrière. Terwijl hij tranen wegveegt, geeft hij toe destijds simpelweg gedacht te hebben dat liedjes echte helende krachten konden hebben. De tranen zijn waarschijnlijk meer voor zijn jonge dan zijn huidige zelf, maar de emoties leven nog.

Alexander verdween naar de achtergrond, maar bleef er wel actief met muziek op een manier die beter bij hem paste. Onder verschillende pseudoniemen schreef hij liedjes voor een nogal commerciële categorie popartiesten. Ergens verbaast het niet; Alexander had duidelijk het talent muziek te schrijven die je na een eerste luisterbeurt niet meer kon of wilde vergeten. Dat talent bezat hij toen het hem tot drie keer toe lukte een platencontract te krijgen, en hij bezat het zeker toen hij ‘You Get What You Give’ schreef.

Ik was tien toen ‘You Get What You Give’ voor het eerst op MTV gespeeld werd en ik was meteen verkocht. Er klonk zoveel hoop, euforie en energie in die paar minuten poppy 90s rock. Alexander was met zijn wankele stem en slungelige lijf totaal onbedreigend als rockster en vocht zo oprecht voor positiviteit dat je vlinders in je buik voelde. Hij kon niet dansen maar deed toch een Michael Jackson-pirouetje, kon niet echt goed zingen maar het kwam wel uit zijn tenen. De intro was op zichzelf al een meesterwerkje en de piano-akkoorden en gitaren die daarna losbarstten gingen op een perfecte manier verder. “Don’t let go, you’ve got the music in you.” Soms denk ik dat het allemaal bij de leeftijd hoorde, maar iedere keer dat ik naar ‘You Get What You Give’ luister, is er voor mij eigenlijk helemaal niks veranderd. 1, 2, 1, 2, 3, AOUUU!

Tags: , , , , , , , , ,

nummer van 21/10/2014 door

‘Atomos VI’ van A Winged Victory For The Sullen

Even ademhalen ...

A Winged Victory For The Sullen / Atomos VI / Video

Over een maand begint in Utrecht Le Guess Who, een muziekfestival dat misschien wel meer in het teken staat van muziek die je niet kent dan dat het de gebruikelijke haastige tocht langs al je favoriete bands is. Die zijn er met namen als Dr. John, Bonnie ‘Prince’ Billy en Einstürzende Neubauten natuurlijk wel, maar voor de meeste bezoekers zal het programma toch voornamelijk verrassingen bevatten.

Als bezoeker kun je daar op twee manieren mee omgaan: je kunt op goed geluk vier dagen lang de vijftien verschillende locaties afstruinen en maar zien wat je tegenkomt, of je grondig voorbereiden. Ik heb gekozen voor dat laatste en ben zodoende al weken bezig om mezelf met het uitpluizen van de Le Guess Who-playlist op Spotify enige houvast voor die vier dagen te bieden.

Een baken van rust

De voorpret in de vorm van een enorme ontdekkingstocht is op die manier al groot, waarbij A Winged Victory For The Sullen een van de eerste acts was waar ik wat langer stil bij stond. Allereerst natuurlijk vanwege die poëtische naam, maar vooral omdat het een baken van rust is tussen alle andere muziek. Niets ten nadele van al die genre-overschrijdende bands en innovatieve acts, maar je hersenen krijg aardig wat impulsen te verwerken. Bij A Winged Victory For The Sullen mogen ze even helemaal uit.

AWVFTS_AtomosVIIEPDat is voornamelijk te danken aan de chemie tussen Dustin O’Halloran en Adam Wiltzie, die met z’n tweeën A Winged Victory For The Sullen vormen. De brug die het duo slaat tussen klassiek en ambient is zo vanzelfsprekend dat het klinkt alsof die er altijd al is geweest, maar niemand wist waar die lag. Begin deze maand verscheen hun tweede album Atomos, de begeleidende muziek voor een gelijknamige dansvoorstelling van Wayne McGregor.[1] En gek genoeg was de plaat, in contrast met de rustgevende muziek, nogal een haastklus voor de band.

Carte blanche

De aanlooptijd voor hun debuut uit 2011 was namelijk ruim vier jaar geweest, gerekend vanaf het moment dat ze elkaar in Italië ontmoetten. Wiltzie was op tour als gitarist met Sparklehorse en componist O’Halloran werd door een vriend meegenomen naar een concert van de band in Bologna. De twee ontmoetten elkaar backstage en kwamen al pratend op het idee voor A Winged Victory For The Sullen. Er werd vrijuit geëxperimenteerd met rijen piano’s in verschillende ruimtes, waaronder de oude DDR-radiostudio’s, om zo tot een ultiem geluid te komen waarbij kalmerende melodieën over een wollig tapijt van diepe bassen stromen. In totaal werd er ongeveer twee jaar aan de plaat gewerkt.

Dat was anders bij de opnames voor Atomos, een opdracht die voortkwam uit het feit dat choreograaf Wayne McGregor zijn dansers van het Londense Royal Ballet liet opwarmen op de klanken van A Winged Victory For The Sullen. Een opdracht die ze aannamen op hartelijk aanbevelen van producer en vriend Ben Frost. Vanaf dat moment hadden ze vier maanden om de ogenschijnlijk onmogelijke klus te klaren.

A Winged Victory For The Sullen

Om het nog lastiger te maken lag er ook niet echt een duidelijke opdracht. Sterker nog, het duo kreeg volledig de vrije hand om te doen wat ze wilden, met slechts wat filmpjes, foto’s en woorden van McGregor die als inspiratie moesten dienen. Binnen twee maanden was de muziek geschreven en in grote lijnen is dat ook wat er uiteindelijk op plaat en in de voorstelling terecht is gekomen. Een onmogelijke haastklus die eigenlijk niet beter uit had kunnen pakken.

 A Winged Victory For The Sullen is op zaterdag 22 november te zien tijdens Le Guess Who in Utrecht.

  1. [1] Bij veel lezers waarschijnlijk bekend vanwege deze choreografie voor Radiohead.

Tags: , , , , , , , , , , , ,

nummer van 20/10/2014 door

‘Sabrina’ van Einstürzende Neubauten

Duitse pünktlichkeit om trots op te zijn

Einstürzende Neubauten Sabrina

Het is 2014 – het zal je niet zijn ontgaan – en meer dan ooit lijkt het reusachtige land dat languit naast ons ligt uitgestrekt de argusogen van zich te hebben afgeschud. Duitsland werd Weltmeister. Economisch ging het de afgelopen jaren ontzettend goed, hoewel de regering dat vooral aan de afwezigheid van een fatsoenlijk minimumloon te danken heeft. Berlijn is het epicentrum van hipheid. En, een niet te onderschatten graadmeter: wij Nederlanders lijken onze buren tegenwoordig zowaar sympathiek te vinden. We waren best een beetje trots toen Angela Merkel na MH17 vooraan stond om een staakt-het-vuren in Oekraïne te eisen en duidelijkheid te krijgen over de situatie. Duitsland als onze stoere zus! De afgelopen zeventig jaar leek het ondenkbaar, maar stukje bij beetje durven we onze buren weer aan te zien voor wat ze zijn: groots, ontzagwekkend, met al die kilometers aan bergen, meren en bossen, autobahnen, mooie steden. Om maar te zwijgen over die gigantische industrie.

Industrie. Een woord dat niet alleen naar boven komt wanneer we het over de Duitse economie hebben, maar ook in de Duitse alternatieve muziek van elementair belang is. Iedereen kent de industrial metal van Rammstein,  maar met Einstürzende Neubauten (vertaald: instortende nieuwbouw) heeft Duitsland een andere band die al sinds de jaren 80 een grote invloed heeft op alles wat met het genre te maken heeft. Vaak zingend in het Duits, rammend op bielzen, stangen, hamers en aambeelden, arbeidt de band zich al 34 jaar door een alsmaar veranderend muzieklandschap.

Einstürzende Neubauten Autobahn

Einstürzende Neubauten

Einstürzende Neubauten

Hoe goed Duitsland het tegenwoordig ook doet, veertien jaar geleden was het volgens die Einstürzende Neubauten nog heel anders. Met ‘Sabrina’ schreef zanger Blixa Bargeld (lange tijd gitarist bij Nick Cave & The Bad Seeds) een conceptueel ijzersterk nummer over de schaamte waarmee iedere Duitser zo lang door het leven moest. Misschien was het de vloek van het verleden, misschien de teleurstelling in de matige snelheid waarmee het land die vloek van zich afschudde. Wanneer Bargeld zichzelf in 2000 in de spiegel bekeek, zag hij in ieder geval niet de Duitser die hij zou willen zien. Een gegeven dat een prachtige leidraad werd voor zowel de videoclip als de tekst van ‘Sabrina’. In de clip zien we een monsterlijk figuur, gehuld in een rood-goud-zwart trainingspak, schrikkend van zijn evenbeeld in de spiegel van een ranzige toiletruimte. Hij probeert zich met rode lippenstift mooier te maken, maar de kleur beklijft niet. Hij blijft van zichzelf walgen. Ondertussen horen we een beat van vallende waterdruppels en de hypnotiserende stem van Bargeld. Hij zingt, niet eens in zijn moedertaal, over zijn teleurstelling in het rood van de Duitse vlag.

It’s not the red of the dying sun
The morning sheets’ surprising stain
It’s not the red of which we bleed
The red of cabernet savignon
A world of ruin all in vain
It’s not that red
It’s not that red
It’s not that red

Gelukkig heeft de Duitse vlag meer kleuren dan alleen rood. Goud! Goud is altijd mooi. Waarom zou het wezen met de runderkop en varkensneus in de video niet iets aanschouwelijker worden met gouden lippenstift? Het tweede couplet verraadt het: ook het Duitse goud is niet het goud dat het zou kunnen zijn. Hell, de meesten van ons zien de gouden baan in de vlag zelfs aan voor geel.

It’s not as golden as Zeus’s famous shower
It’s doesn’t, not at all, come from above
It’s in the open but it doesn’t get stolen
It’s not that gold
It’s not as golden as memory
Or the age of the same name
It’s not that gold
It’s not that gold
It’s not that gold
It’s not gold at all

Maar o, wat een potentie hebben die kleuren rood en goud. Het rood van cabernet sauvignon, het goud van Zeus’ shower of gold. Het kan zo mooi zijn. Trots zijn op je eigen land zonder schaamte, wie wil dit niet? Blixa Bargeld spreekt zijn visie van dit Duitsland uit in het refrein. Een wens van een mooie kleur.

I wish that would be your color
I wish this would be your color
I wish this would be your color
Your color, I wish

Maar ook na dat hoopvolle refrein moet Bargeld concluderen dat zijn thuisland er nog niet is. Na goud en rood heeft de vlag nog maar één kleur te bieden, en dat is zwart. Pikzwart, roetzwart, koolzwart, inktzwart, ravenzwart, gitzwart. De kleur die niet eens een kleur is, de kleur die geen enkel sprankje hoop te bieden heeft. Al voor hij erover begint weet je dat het voor het Duitsland van Blixa Bargeld niet goed kan aflopen, en hij is dan ook passend genadeloos in het laatste couplet.

It is as black as Malevich’s square
The cold furnace in which we stare
A high pitch on a future scale
It is a starless winter night’s tale
It suits you well
It is that black
It is that black
It is that black
It is that black

Trots op Duitsland? Bargeld en de Einstürzende Neubauten waren het in het jaar 2000 absoluut nog niet. Maar de manier waarop in ‘Sabrina’ tekst, sfeer, video, muziek, zang én historisch besef samenkomen is zo ontzettend verfijnd, zo, ja, pünktlich, dat je maar moeilijk kunt geloven dat de bandleden elkaar direct na voltooiing van de clip niet even een schouderklop hebben gegund.

Tags: , , , , , , ,

nummer van 19/10/2014 door Vincent Cardinaal

‘Coney Island Baby’ van Lou Reed

De bewondering in andermans ogen dromen

Onze gastblogger van vandaag, Vincent Cardinaal (1982), is schrijver en Rotterdammer. Hij is op het gênante af bewonderaar van The Rolling Stones. Daarnaast vindt hij dat Bob Dylan de Nobelprijs voor de literatuur, scheikunde en de lieve vrede verdient. Hij schrijft over muziek voor Noisey/Vice en Nieuwe Revu. Vandaag memoreert hij Lou Reed, die ruim een jaar geleden overleed.

Lou Reed – Coney Island Baby (HQ)

You know, man, when I was a young man in high school
You believe it or not I wanted to play football for the coach

Met de bovenstaande, prachtige, introspectieve woorden trapt Lou Reed zijn song ‘Coney Island Baby’ af. We schrijven midden jaren zeventig en Lewis Allen Reed, dan al een decennium hemelbestormer par excellence, zit in de put. Of beter – hij is bezig eruit te kruipen en wij krijgen een unieke kans het mee te maken. Na het verscheiden van de Velvet Underground zijn de jaren zeventig een grillig beestje voor Reed gebleken. Hij topt artistiek en commercieel met Transformer, zijn door David Bowie geproduceerde popplaat. Met ‘Walk On The Wild Side’ scoort hij een hit die ook overdag op de radio wordt gedraaid. Weet het klootjesvolk veel dat hier een shemale wordt bezongen.

Daarna raakt Lou nog maar eens verslingerd aan heroïne. Uitgedost als een lijkbleke geest met peroxidekapsel bestormt hij de podia. Dit alles is gedocumenteerd op de klassieke live-LP Rock ’n Roll Animal én hij brouwt ook nog zijn meest indrukwekkende grand cru – Berlin, een nog altijd niet kapot te krijgen meesterwerk over ijskoud junkieverdriet.

Kwetsbaar mens

Als Berlin met de grond gelijk wordt gemaakt, flipt Lou pas echt. Zelfs de afgelopen jaren toonde hij zich er nog verbitterd over tegen de pers. Als pure wraak laat hij destijds Metal Machine Music op de mensheid los. Een soort urenlange performance die klinkt alsof er toevallig een bandrecorder in een machinefabriek heeft gestaan. Maar zelfs de meest recalcitrante artiest kan niet leven van rancune. En dus gaat Reed rond 1976 weer daadwerkelijk creëren. Het levert de LP Coney Island Baby op, waarop hij opvallend vaak terugkeert naar zijn jeugd. Hij toont zich voor het eerst in lange tijd een kwetsbaar mens. De hoes spreekt boekdelen – het masker zakt wat, we mogen weer naar binnen van Lou.

Schuwe leerling

Al deze impressies komen samen op de titeltrack. Bijna zeven minuten strekt hij zich uit, niet toevalligerwijs gesitueerd in het hart van de plaat. De tekst is een lange vertelling waarin de protagonist van een schuwe leerling uitgroeit tot een harde discipel van de grote stad. Maar: ook voor deze rauwdouwer blijkt de liefde een reddingsboei. “The glory, oh, the glory of love”, klinkt het bijna gospelgewijs in het slotgedeelte.

Bewondering dromen

Verder kan niemand het alleen af op de wereld. Lou Reed is altijd vatbaar geweest voor het meester-leerlingmodel. Zijn eigen vader was een wat saaie accountant die hem weinig groeipotentieel bood. Op de universiteit ontbolsterde hij onder de schrijver Delmore Schwartz, in New York werd hij een icoon onder de vleugels van Andy Warhol. Op ‘Coney Island Baby’ verpersoonlijkt hij dit in die coach uit de beginwoorden. Hij stelt eigenlijk dat het leven waardeloos is als je niemand hebt om het voor te leven. Als er niemand is die een arm om je heen slaat en zegt: ‘ik heb het gevoeld, dankjewel.’ Zie daar ook een verklaring voor zijn kwaadheid over de slechte pers van Berlin. Lou Reed kon blijkbaar alleen functioneren als hij de bewondering in andermans ogen kon dromen.

Lou en zijn muze Rachel

Lou, Rachel

Lou is nu bijna een jaar dood. Hij stierf op 27 oktober 2013, liggend op de veranda van zijn villa in de Hamptons, ten noorden van New York. Zijn vrouw van het laatste decennium, Laurie Anderson, was er bij. Naar verluidt probeerde Reed voor hij stierf zelfs nog aan tai-chi te doen, zijn laatste verslaving.

In de tijd van Coney Island Baby zal niemand hebben durven geloven dat Lou Reed zo vredig aan zijn einde zou komen. Toch bevat de song een tedere liefdesverklaring aan zijn toenmalige partner – Rachel, een shemale die door Lou met gepaste rebelsheid overal werd geïntroduceerd als ‘my boyfriend’. Zij (of hij) stond destijds als geen ander model voor de grillige, gevoelige macho die Lou Reed was. ‘Coney Island Baby’ – plaat én song – zijn er een schitterende getuigenis van.

I’d like to send this one out for Lou and Rachel
and all the kids and P.S. 192
Coney Island baby
Man, I’d swear, I’d give the whole thing up for you

Tags: , , , , , ,

nummer van 18/10/2014 door

‘Saturday Satan Sunday Saint’ van Ernest Tubb

I Don't Roll On Shabbos!

Ernest Tubb – Saturday Satan, Sunday Saint

“Gedenk de sabbatdag, dat u die heiligt”. Na zes dagen hard werken aan de nummers van de dag is het nu tijd om, naar oudtestamentisch gebruik, de zaterdag te beleven als rustdag. Op sjabbat mag er niet gewerkt worden. Hierdoor ben ik genoodzaakt mijn vrijdagmiddag te gebruiken om dit stukje te tikken. En dat terwijl de traditie, een woord wat anno 2014 een nare bijsmaak heeft gekregen, van een heilige zaterdag al flink wat eeuwen geleden is losgelaten en is ingeruild voor de zondag.

Oordeel niet

Ernest Tubb wijst, in het nummer van vandaag, beschuldigend met zijn vinger naar het hypocriete gespuis dat de hele week alle geboden aan hun laars lapt om vervolgens op zondag vooraan in de kerk te zitten. “Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.” Tubb lapt dat laatste gebod aan zijn cowboylaars wanneer hij de andere kerkgangers de maat neemt. Opmerkelijk, aangezien hij er zelf voor zorgde dat het zondagochtend nog lang onrustig bleef in Nashville.

charletontubb11

Midnight Jamboree

In 1947 opende hij namelijk zijn eigen platenzaak: Ernest Tubb Record Shop. Hij was al vier jaar een ongekend populair lid van de Grand Ole Opry, de wekelijkse radioshow met de populairste countrysterren, en zag dat steeds meer mensen behoefte hadden aan een centrale plek waar ze countrymuziek konden kopen. Hiervoor waren het de warenhuizen die mensen in die behoefte voorzagen. Als locatie koos hij een oud pand in downtown Nashville. Niet op zomaar een plek. Recht tegenover het Ryman Auditorium, een voormalige kerk waar de Grand Ole Opry Show werd opgenomen. De bezoekers kwamen vrijwel vanzelf. Toch bedacht Tubb een slimme truc om nog meer klandizie binnen te halen. Op zaterdagavond nodigde hij de artiesten, die in de Ryman hadden opgetreden, uit om in zijn winkel op te treden. De Midnight Jamboree ging tot in de vroege uurtjes van de zondag door.

Webb Pierce "I Got Religion On A Saturday Night"

Hypocriet

Zijn generatiegenoot Webb Pierce was wat strikter in zijn geloof wanneer we het bovenstaande nummer moeten geloven. Ook hij had een week hard gewerkt. Zijn ware geloof behoedde hem er echter voor om op zaterdag niet het lichte vertier van muziek en dansen op te zoeken. Wellicht was het nummer bedoeld als belediging naar de Opry en de Ryman, ook wel bekend als de Mother Church of Country Music. Pierce heeft eenmalig op deze planken mogen staan maar koos er zelf voor om verder niet met de Opry in zee te gaan omdat de organisatie een commissie verlangde voor zijn boekingen.

Sowieso was de alcoholist Pierce geen schoolvoorbeeld van een vroom man. Met zijn potsierlijke zwembad in de vorm van een gitaar en zijn met zilveren dollars en pistolen versierde auto voldoet hij aan de beschrijving die Tubb geeft in het nummer van de dag.

Come Monday morning and he’s back to a life of sin.

Tags: , , , , , , ,

-->