nummer van 23/07/2014 door

‘Honest’ van Band of Skulls

Samen zingen, niet samen zijn

Band of skulls – honest

Wanneer Barbra Streisand en Barry Gibb elkaar toezingen dat ze nergens de schuld van hebben, hebben ze het duidelijk tegen elkaar. Een voor een reageren ze op de ander en komen ze beiden, als de liefde sterk genoeg is, tot een consensus in het gezamenlijk gezongen refrein. Het is een gesprek, maar dan op muziek. Er bestaan ook liedjes waarin zowel een vrouw als een man zingen zonder dat ze het tegen of over elkaar hebben. The Velvet Underground en Jefferson Airplane deden het voortdurend en recenter ook The XX. Het is nauwelijks nieuwswaardig. Toch is er iets aan die samenwerkingen dat misschien wel fragieler is dan het lijkt.

Band of Skulls is zo’n groep waarin de man en de vrouw een even grote rol spelen in de zang, zonder dat ze over elkaar zingen. Zangers Russell Marsden en Emma Richardson schrijven beiden hun eigen nummers en zingen hun eigen solo’s, hoe het ook uitkomt. Als een zangpartij binnen een nummer gedeeld moet worden, kan dat geregeld worden. Het resultaat is dat Marsden en Richardson even vaak lead- als achtergrondzangers zijn in hun eigen band en dat hun stemmen steeds precies daar ingezet kunnen worden waar ze het beste werken. Het is leuk om te bedenken dat wanneer de een zingt, de ander nooit ver weg is.

Het bijzondere aan bands waarin twee zangers even vaak de rol van leadzanger hebben, is dat je je af kunt vragen wat het punt van de collaboratie is. Zouden de twee niet net zo goed solo kunnen gaan? Wanneer de twee zangers ook nog eens van een ander geslacht zijn, is het makkelijk daar verkeerde conclusies uit te trekken. Brigitte Bardot hoefde niet eens toon te kunnen houden om met Gainsbourg te zingen en de blop en wizz-geluiden die ze maakte in het liedje ‘Comic Strip’ waren genoeg om de seksuele spanning tussen haar en Gainsbourg helder te maken voor iedereen. Hier was de man/vrouw-verdeling en alles wat dat impliceert natuurlijk opzettelijk. Maar ook zonder opzet kan onze fantasie op hol slaan. Gemixte bands die erin slagen dat idee bij luisteraars niet te voeden, zijn misschien wel zeldzamer dan we denken.

Wat overblijft bij deze zogenaamde neutrale samenwerkingen tussen mannelijke en vrouwelijke vocalisten zijn liedjes waarin het beste van beide werelden ingezet kan worden. Marsden en Richardson van Band of Skulls klinken samen veel spannender dan alleen en ook als ze om en om een couplet zingen, voegt het extra lagen toe aan de liedjes. Andere voorbeelden: Black Mountains samenzang van Amber Webber en Stephen McBean maken het liedje ‘The Hair Song’ op zichzelf tot wat het is (“What it is, what it is…”) en hetzelfde kan gezegd worden over de combinatie van Rachel Fannans stem met die van Bret Constantino van de groep Sleepy Sun. Het is jammer dat die laatste samenwerking afgelopen is – Sleepy Suns latere werk zonder Fannan heeft daar de gevolgen van moeten dragen.

Dat mannelijke en vrouwelijke vocalisten in een band niet over elkaar zingen, betekent natuurlijk niet per se dat ze niet kunnen spelen met hun respectievelijke stemcapaciteiten. Als Richardsons stem in de mix naar voren wordt geschoven bij de zin “I am a man, ‘caus you said I am” in het liedje ‘Impossible’, kan dat alleen maar gedaan zijn om luisteraars wakker te schudden en een grapje uit te halen. Of zou er toch meer achter zitten?

Tags: , , , , , , , , , ,

nummer van 22/07/2014 door

‘Never Coming Home’ van Reigning Sound

Eindelijk alle ruimte voor de soul

Never Coming Home – Reigning Sound

In Daptone’s House Of Soul gebeuren al meer dan tien jaar magische dingen. Amy Winehouse’ hitalbum Back To Black werd er opgenomen en ook prachtplaten van onder meer Charles Bradley, Lee Fields en Sharon Jones werden er op band gezet. De deur van de studio lijkt toegang te geven tot vervlogen tijden, waardoor elke plaat klinkt alsof die in de hoogtijdagen van de soul is opgenomen. Ook Reigning Sound uit Memphis, Tennessee liep eerder dit jaar over de drempel van de befaamde studio en liep naar buiten met hun best klinkende plaat ooit.

Een hart van soul

Dat is natuurlijk niet alleen aan de studio te danken, want dat frontman Greg Cartwright geweldige liedjes kan schrijven wisten we al langer. Voornamelijk dankzij Oblivians, de garage rockband waarmee hij al sinds de jaren negentig furore maakt. Een groep waarmee hij vooral zijn liefde voor punk en gruizige garage etaleert, maar waarvan het vuur toch ook zeker al wel werd aangewakkerd door lichte ondertonen uit de soul.

Bij Reigning Sound, de band die hij in 2001 oprichtte, kwam die soulvolle gloed al veel beter tot zijn recht naast invloeden uit country en andere rootsmuziek. Toch bleef Cartwright ook in deze band altijd nog met een been in de garage staan, zoals vaak te horen viel aan de felle gitaren die ervoor zorgden dat de nummers altijd mooi bleven rafelen. Dat is op Reigning Sounds nieuwste plaat Shattered nog steeds wel zo, maar dan binnen een veel completer geluid. Meer uitgebalanceerd, warmer en helderder dan ooit tevoren en daardoor valt juist nog meer op wat een geweldige songschrijver Cartwright eigenlijk is.

Reigning Sound

Greg Cartwright van Reigning Sound

Gas terug

Toch zal er onder de oude fans ongetwijfeld wat gemopper te horen zijn, want de band klinkt tegelijkertijd rustiger dan ooit. En die tomeloze energie, dat was precies wat veel fans zo in de bands van Cartwright aantrok. Daarom is het nummer van de dag vandaag een van zijn meest kalme nummers, juist omdat deze nummers op Shattered de band echt naar een nieuw niveau brengen. Een nummer dat eigenlijk heel anders zou hebben geklonken, ware het niet dat Cartwright een week voordat hij aan het mixen van Shattered begon besloot dat dit nummer toch nog iets anders nodig had.

Op de website van Reigning Sounds platenlabel Merge Records vertelt hij dat hij zich realiseerde dat het nummer nog een bridge nodig had. Niet echt handig als je het hele nummer twee maanden daarvoor al hebt opgenomen. De hele band weer optrommelen voor dat ene stukje was geen optie, dus besloot Cartwright de bridge zelf op akoestische gitaar in te spelen en dat ertussen te plakken (te horen vanaf 2:20). Dat bleek in zijn eentje toch wat kaal, dus riep hij de hulp in van The Memphis Dawls die hem bijstonden met viool en cello. Dat bleek zo goed te werken dat dezelfde aanpak vervolgens werd toegepast op de rest van het nummer. Een van de beste ideeën van de hele plaat.

Tags: , , , , , , , , ,

nummer van 21/07/2014 door

‘Jump In The Fire’ van Metallica

Met dank aan Edwin en Jan

Metallica – Jump In the Fire single (Studio Version)

1985. Een muzieksmaak had ik nog niet ontwikkeld.Wel zat ik bijna iedere zaterdag bij de radio, mijn vingers bij de opnameknop, klaar om liedjes uit de top 40 op te nemen op cassettebandjes. ‘Popie Jopie‘ kwam direct na ‘Born in the USA‘. Roberto Jacketti & The Scooters namen het stokje over van Opus. Ik was altijd net te laat met het starten van de opname. Vaak omdat ik eerst naar de kamer van mijn broer rende om te vragen of hij het nummer ook opnam. Als mijn broer het goed vond dan was het tenslotte ook goed.

Familiebezoek

Een enkele keer moest ik op zaterdagen mee naar familie. Als jochie van acht kon ik duizend-en-één leukere dingen verzinnen om te doen dan dat. Het grootste deel van mijn familie woonde dichtbij, met bospaden, sloten en weilanden in de buurt om me mee te vermaken. Soms moesten we echter die oneindig lange en saaie reis naar het Westen maken. Wagenziek belandde ik in grauwe dorpen als Katwijk en Rijnsburg. Vrijwel nooit gingen we naar het strand.

In Rijnsburg woonden wijlen ome Jan en tante Corrie (ik verzin het niet!). Lieve mensen met een enorme bouvier waar ik doodsbang voor was. Behalve de bouvier hadden ze ook twee zoons met een grote verzameling Star Wars speelgoed, waar ik mij uren mee vermaakte.

Bouvier

Toen we op weer zo’n Hollandse, grijze, koude zaterdag aankwamen in Rijnsburg bleken mijn neven niet thuis te zijn. Even was ik jaloers. Zij hoefden blijkbaar niet verplicht aanwezig te zijn bij het familiebezoek. Om niet een hele middag een mokkend kind om zich heen te hebben, besloot tante Corrie dat ik zelf het speelgoed uit de gedeelde slaapkamer van mijn neven zou halen. Ik vond alles prima, zolang ik maar niet in de buurt van die hond hoefde te zijn.

Meegadet

Ik rende de trap op naar hun slaapkamer, waar ik in de deuropening verwonderd, een beetje bang en tegelijk verschrikkelijk nieuwsgierig bleef staan. Vanaf alle muren keken langharige mannen mij stoer aan, omringd door skeletten en bloederige taferelen. Ik probeerde de namen te ontcijferen. ‘Meegadet‘, ‘Testaament‘, ‘Motorhet‘.

Metallica-Jump-In-The-Fire-Links van de deur hing een grote poster waar ik als betoverd naar bleef kijken. ‘Meetalieka‘. Een duivel, met lichtgevende ogen en horens, die opstond uit het hellevuur. Dat is heel wat om te verwerken voor een jongen uit een gereformeerd nest. Die zaterdag besloot ik dat ik die muziek moest gaan horen.

Rijnhal

Zesentwintig jaar later loop ik door een lokale sporthal die dit weekend dient als overdekte vlooienmarkt. De drukte, de geur van sigaretten en hamburgers, de scootmobiels en de botsende bejaarden vergeet ik meteen wanneer ik bij een sympathieke Duitser een plaat uit een stoffige bak trek. Ik betaal twee euro voor de LP met op de hoes die kenmerkende duivel. Het zien van die hoes, de geur van het vinyl en thuis het luisteren (en meebrullen met) de plaat nemen mij weer mee naar die jongenskamer in Rijnsburg. Daar waar mijn muzikale ontdekkingsreis begon.

Bedankt Edwin en Jan.

Tags: ,

nummer van 20/07/2014 door Frits Tromp

‘Blind Willie McTell’ van Bob Dylan

Niemand zingt de blues

Naast zijn bijdragen voor Classic Rock Mag schrijft gastblogger Frits Tromp vooral over Bob Dylan. Heel veel Bob Dylan. Op zijn weblog Een Ander Zelfportet, in het boek Gisteren Is Een Herinnering en vandaag op Nummer van de Dag.

Bob Dylan – Blind Willie McTell Original Version 1983

In 1983 dook Bob Dylan de studio in voor een nieuw album: Infidels. Net als vier jaar eerder bij Slow Train Coming, werd Dylan bijgestaan door Dire Straits-gitarist Mark Knopfler. Eén van de nummers die werden opgenomen was ‘Blind Willie McTell’, een eerbetoon aan de zwarte blueszanger, die stierf in de tijd dat Dylan zelf naar New York trok om het daar als muzikant te maken.

Een kwetsbaar nummer is het geworden, ‘Blind Willie’. Met Dylan op zang en piano en Knopfler op de akoestische gitaar. Maar naarmate het lied vordert, krijgt de muziek meer stevigheid. Zo is het ook met de tekst: klein beginnend, maar groots eindigend. Beginnend bij de pionier, die constateert dat het hele land is vervloekt.[1] De ik-persoon meldt aan het einde van het eerste couplet dat hij veel martelaren heeft gezien. Maar er is niemand die de blues zingt zoals Blind Willie McTell.

Vervolgens gaat de ik-persoon langs nomaden, zigeuners, slavenplantages en stokers van illegale whiskey. Om in het laatste couplet welhaast profetisch te spreken over geldbeluste “godenzonen”, die een wereldwijde crisis laten ontstaan:

Well, God is in His heaven
And we all want what’s His
But power and greed and corruptible seed
Seem to be all that there is
I’m gazing out the window
Of the St. James Hotel
And I know no one can sing the blues
Like Blind Willie McTell

Jaren in de kluis

Hoe mooi het nummer muzikaal en tekstueel ook is opgebouwd, Dylan weigerde ‘Willie’ op zijn nieuwe elpee Infidels te plaatsen. Het nummer was volgens hem nog niet af; de opname zou een demo zijn om er in later dagen nog eens aan te werken. Mede-producer Knopfler begreep de keuze niet, die in zijn afwezigheid was genomen: de meestergitarist moest in de eindfase van de productie op tournee met zijn eigen band, waardoor Dylan de puntjes op de i zette voor zijn eerste niet-religieuze album sinds Street Legal uit 1978.

‘Blind Willie McTell’ verdween vervolgens voor jaren in de kluizen van Dylans platenmaatschappij Columbia Records. Tot 1991, toen Dylan dertig jaar in het vak zat en zijn vijftigste verjaardag zou gaan vieren. Als cadeau kreeg de zanger onder meer een verzamelbox aangeboden: The Bootleg Series vol. 1-3. Een box met afgekeurd studiomateriaal, demo’s, live-versies en ‘prullaria’.

The Band

In dezelfde periode dook The Band weer in de studio om albums op te nemen. The Band was de begeleidingsband van Dylan in de jaren zestig en zeventig – de mannen gebruikten in het verleden vaak teksten van Dylan voor hun eigen albums. Voor hun tweede comebackalbum Jericho namen de mannen van The Band het nummer ‘Blind Willie McTell’ op, in hun geheel eigen stijl.

The Band – "Blind Willie McTell"

Eindelijk live

Voor Dylan was deze cover de definitieve versie van zijn hommage aan de blueszanger. Vier jaar na de Band-versie speelde Dylan ‘Blind Willie McTell’ voor het eerst zelf live. Op 5 augustus 1997, in het Canadese Montreal – ongetwijfeld niet willekeurig gekozen, want The Band bestond immers zelf uit vier Canadezen (en één boerenzoon uit Arkansas).

De live-versie van ‘Willie’ door Dylan is vergelijkbaar met de studio-versie van The Band uit 1993. Eindelijk was de demo dan afgekomen. Nog steeds wordt het nummer door Dylan gespeeld tijdens concerten. En nog steeds hoort zijn publiek die woorden: And I know no one can sing the blues / Like Blind Willie McTell.

Blind Willie McTell

  1. [1] Het gaat in de tekst om een “arrow”.Het eerste vertaalwoord in het Nederlands is “pijl”, maar de derde vertaaloptie is “pionier(swerk)”; dat lijkt me in dit verband een logischer vertaling.

Tags: , , , , , ,

The Staple Singers – (Sittin' On) The Dock Of The Bay

Toen Bill Withers begin jaren 70 in de studio zat om het liedje op te nemen dat de hele wereld inmiddels kent als ‘Ain’t No Sunshine’, was hij slecht voorbereid. Waarschijnlijk klinkt het nummer daarom zo casual, zo makkelijk en derhalve zo puur en direct. Maar slecht voorbereid was hij. Het is een bekende soulanekdote dat het legendarische “I know I know I know I know I know I know I know I know I know I know I know I know”-couplet helemaal niet zo nihilistisch bedoeld was en alleen maar de opname haalde omdat Withers beloofde zijn tekst nog af te maken. Bassist Donald “Duck” Dunn overtuigde hem echter om het spontaan gezongen stuk erin te laten. Het zou later gezien worden als één van de beste hooks uit ‘Ain’t No Sunshine’, die hij ook bij live-uitvoeringen nooit meer heeft verruild voor het couplet dat hij eigenlijk voor ogen had.

Bill Withers – Ain't No Sunshine

The Rolling Stones

Dit soort beslissingen fascineren. Grote artiesten hebben een visie, hebben vaak precies in hun hoofd wat ze willen en kunnen stronteigenwijs reageren wanneer anderen hen hiervan af willen praten. Withers had die visie, hij had alleen nog geen tijd gevonden hem uit te voeren. Precies hetzelfde gebeurde toen The Rolling Stones in 1965 de studio betraden voor ‘(I Can’t Get No) Satisfaction’. Voor de iconische openingsriff koos Keith Richards een overstuurd gitaargeluid dat zo dicht mogelijk bij een snerpende saxofoon kwam. De opname was bedoeld als niets meer dan een demo, een ruwe schets voor een versie met een groots geluid en een uitgebreide blazerssectie. Ook Richards liet zich van zijn visie afpraten; zijn ruwe schets klonk volgens producer en platenmaatschappij goed genoeg voor een single. ‘(I Can’t Get No) Satisfaction’ werd de grote doorbraak van The Rolling Stones.

Otis Redding

Soms wordt de visie van een artiest via een omweg alsnog werkelijkheid. Bij genoeg succes komen vanzelf de financiële middelen voor een luxe heropname of een uniek liveconcert waarbij de beperkingen uit de begintijd volledig gecompenseerd kunnen worden. En als dat er niet van komt, is er meestal nog een welwillende collega te vinden die met de juiste cover precies het oorspronkelijke idee van de artiest weet uit te voeren. Deze welwillende collega vonden The Rolling Stones in Otis Redding, die met zijn versie van ‘Satisfaction’ een hommage wilde brengen aan de blanke jongens uit Engeland die zoveel hadden betekend voor de populariteit van zwarte Amerikaanse muziek bij het grote publiek. Om een goede blazerssectie had de zanger nooit verlegen gezeten. En dus bracht hij met zijn cover een kleine reparatie aan in het lot van ‘Satisfaction’. Alsof Richards zich nooit had laten ompraten. Nog maar twee maanden nadat The Rolling Stones hun versie hadden uitgebracht kwam Redding met een bezeten soulstamper waar Stones-zanger Mick Jagger indertijd jaloers op moet zijn geweest.

Rolling Stones: "Satisfaction!"

Otis Redding – (I Can't Get No) Satisfaction

The Staple Singers

Drie jaar later was het juist Otis Redding die een welwillende collega nodig had om zijn nooit uitgevoerde visie tot werkelijkheid te maken. Even onvoorbereid als Bill Withers was hij al zingend bij het derde couplet van ‘(Sittin’ On) The Dock Of The Bay’ beland, toen hij besefte dat zijn tekst nog niet compleet was. De melodie die hij vervolgens begon te fluiten werd – we weten het inmiddels – het meest memorabele stuk uit het nummer en uiteindelijk zelfs het bekendste gefloten stuk uit een liedje ooit. Steve Cropper was de man die hem overtuigde om het vooral zo te laten en geen derde couplet te verzinnen. Otis gehoorzaamde.

Toen The Staple Singers zich na Otis’ dood waagden aan een ode aan hun goede vriend, besloten ze het derde couplet te repareren. Het fluitstuk werd vervangen door een gezongen brug waarbij de tekst van het refrein zo goed mogelijk wordt toegepast op Reddings fluitmelodie. De zanger kreeg postuum toch zijn zin, maar de grandeur van de Staple Singers-versie van ‘(Sittin’ On) The Dock Of The Bay’ zit hem vooral in de bevlogen zang van Mavis Staples, die in het tweede couplet  “This loneliness won’t leave me alone” zingt of ze de  zanger in de hemel wil bereiken.

Otis Redding-Sitting on the dock of the bay

The Staple Singers – (Sittin' On) The Dock Of The Bay

‘This May Be The Last Time’

The Staple Singers zijn nooit zo onvoorbereid in de studio gekomen dat ze ter plekke nog een couplet moesten verzinnen. Ze zongen ook vooral traditionals en covers, liedjes waarvan de teksten al lang compleet waren. Of misschien was Pops Staples zo eigenwijs dat hij zich door niemand liet ompraten.

Wel werd één van hun nummers op een andere manier gerepareerd. We komen weer terug bij The Rolling Stones, die met een rockbewerking van ‘This May Be The Last Time’ de gospeltraditional veel groter maakten dan The Staple Singers ooit was gelukt. De Stones-versie was voldoende aangepast om voor een eigen nummer door te gaan, maar fervente Staple Singers-fans vonden het schandalig dat de gospelgroep geen royalties mocht ontvangen voor een hit die duidelijk geïnspireerd was op hun uitvoering van ‘This May Be The Last Time’.

Maar een reparatie was het zonder meer; eentje die – Otis Redding zei het al – een relatief obscuur religieus nummer toegankelijk maakte voor een groot publiek. En het zou zomaar kunnen dat dit grote publiek zonder The Rolling Stones nooit kennis had gemaakt met The Staple Singers en hun fantastische cover van ‘(Sittin’ On) The Dock Of The Bay’. Dus danken we de Stones voor het repareren van de Staples. We danken de Staples voor het repareren van Otis, en natuurlijk danken we Otis voor het repareren van de Stones. Nu nog iemand vinden die eindelijk dat extra couplet van ‘Ain’t No Sunshine’ schrijft.

The Staple Singers – This May be the Last Time

The Rolling Stones The Last Time 1965

Tags: , , , , , , , ,

nummer van 18/07/2014 door

‘Beirut’ van Ibrahim Maalouf

Jazz, de enige constante bewoner van deze stad

Ibrahim Maalouf – Beirut (Official Music Video)

Ohrid, het Zuidoost-Europese stadje waar ik momenteel woon, heeft een behoorlijk aantal café’s en bars. Maar er zijn er maar een paar waar mensen komen waarmee je in dronken toestand op het leven wil proosten en waar, belangrijker nog, degelijke muziek wordt gedraaid.

Oké, één bar eigenlijk, als je echt heel kritisch bent.

De dertig jaar oude nachtclub Jazz Inn waar je, liefst aan de bar zittend, filosofeert over het leven, dubieuze cocktails drinkt (‘Juicy Pussy’, ‘Kamikaze’ en ‘Stinkende Cocktail’ zijn favoriet) en elke avond weer iets nieuws van de jazzgeschiedenis opsteekt. Omdat de club midden in het oude centrum staat – haast onvindbaar voor toeristen, tenzij je achter elke houten deur een verborgen jazzclub vermoedt – en de buren nogal eens klaagden over het rumoer van de rokers in het steegje, heeft de nachtclub sinds een aantal jaar de status van een café, inclusief sluitingstijd van 01:00 uur. Met weemoed denk ik, zelfs als niet-roker, terug aan de met tabakgeur gevulde nachtclub die het ooit was, een plek barstensvol sfeer en intimiteit waar niets hoefde en alles mocht.

Codewoord: ‘Здраво’

Macedoniërs zijn een nostalgisch volk en zien het bijkans als hun roeping om te zwelgen in het drama dat ze dagelijks ‘overkomt’, dus als we tegenwoordig een uur na middernacht de tent uit worden gewerkt, beginnen we samen met de jongens achter de bar aan onze vaste riedel over vroegah, tegen wie het maar horen wil (maar meestal tegen de zeventienjarigen die niet beter weten en naderhand wensten dat ze eerder waren geboren). Hoe wij er zelf als zeventien-, achttienjarigen menig nacht afsloten in de wetenschap dat het buiten die vier donkerrode, Lynchiaanse muren alweer licht begon te worden. Hoe we na liters bier, wijn en cocktails verlangden naar eten, liefst hete vissoep met vers brood – waar vond je dat nog op dat uur, nu ook dit toeristische plaatsje was bezweken voor geglobaliseerd, anoniem voedsel: hamburgers met friet of döner. Hoe alles beter was toen het westen en diens obsessie met regeltjes en junkfood nog tot een andere wereld behoorden. O, wat was er toch veel veranderd. Nostalgie is een gevaarlijk wapen, schreef gastblogger Niek Nellen van Afterpartees zondag nog, en een verdomd gevaarlijk wapen ís het, als ie eenmaal wordt afgevuurd.

In al die tijd is iedereen gewoon naar jazz en blues blijven luisteren. Jazz, de enige constante bewoner van deze stad. Ik bedoel, Jazz Inn zit vol muziekliefhebbende pubers, dat stemt vrolijk. Zodra je ook maar ergens een gitarist als een gek hoort soleren, zit je met je gedachten bij de club en vraag je je af welke artiest binnen het genre je nu weer over het hoofd hebt gezien. Zo niet afgelopen weekend, toen de vaste barmannen oreerden over live versies waarvan ik nog nooit had gehoord, over B-kantjes van onbekende bluesgitaristen die in een platenzaak in een buitenwijk van Belgrado waren gevonden – tja, over welke mysterieuze ontdekking uit de recente jazzgeschiedenis níet. Nou: Ibrahim Maalouf.

Althans, ik dacht aanvankelijk dat ze verbaasd reageerden omdat ze me niet verstonden, of omdat het geen doorsnee naam is voor een jazz- of bluesartiest, zoals in het geval van Johnny Winter (eergisteren op 70-jarige leeftijd overleden) of Louis Armstrong. Maar ze kenden hem gewoon niet, Ibrahim Maalouf, de in 1980 geboren Libanees-Franse trompettist, die zo ontzettend goed is en zo warm en subtiel speelt – alsof je uit zijn kraakheldere tonen zijn hele levensverhaal kan opmaken. Die de zogenaamde kwarttoontrompet bespeelt, ‘op z’n Arabisch’ aangepast met een extra ventiel door zijn eveneens trompetspelende vader. Die de rock niet schuwt (8:22) en, wacht eens even, vanavond toch op North Sea Jazz stond te spelen? Een Nederlands festival dat ze wel kenden, ja. Zoek maar op, zei ik. Luister het elf minuten durende ‘Beirut’ en laten we het daarna niet meer over vroeger hebben. Maar dat laatste zei ik eigenlijk vooral tegen mezelf.

Tags: , , , , , , , , , ,

nummer van 17/07/2014 door

‘Talk to Somebody’ van Lee Fields

Schreeuwend naar zijn einde

Lee Fields past in het rijtje Sharon Jones en Charles Bradley. Zwarte zangers en zangeressen die het laatste decennium bekend werden met authentieke muziek gestoeld op de soul en funk uit de jaren zestig. Maar in tegenstelling tot het mooie verhaal van een Bradley, is Lee Fields een zanger die al sinds de jaren zestig stug voortploetert. Weinig soulartiesten kunnen dat zeggen trouwens, dat ze toen hun eerste plaatjes maakten en nog steeds op het podium staan. Lee Fields wel.

Fields’ verhaal begint in 1969. De dan 18-jarige en ambitieuze zanger is klaar om de wereld te veroveren. Hij brengt zijn eerste single uit en maakt enige naam voor zichzelf. Maar doorbreken lukt hem niet. Ook niet met zijn debuutplaat Let’s Talk It Over (1979). Het uitblijven van succes lijkt hem te demotiveren, want in de jaren tachtig is het rondom hem een beetje stil. In de jaren negentig duikt hij weer op en gaat hij op weg naar succes. Dat komt in het nieuwe millennium als hij met hernieuwde ambitie en passie en zijn begeleidingsband The Expressions weer platen begint te maken die bij een groter publiek in de smaak vallen. Vooral My World uit 2009 opent deuren. Echt stil rondom Fields is het daarna niet meer geweest.

Niet nostalgisch

Deze maand kwam zijn nieuwste plaat uit, Emma Jean. Daarop hoor je heel veel het goeds uit de muziekgeschiedenis voorbijkomen. Stax Records, Muscle Shoals, Otis Redding, een vleugje zwarte disco, noem maar op. Het is de muziek van iemand die zijn eerste meters maakte in de jaren zestig en nog steeds deze muziek ademt. Want nergens doet de plaat aan als een nostalgische stap terug in de tijd. Het is een serieus album, gemaakt in 2014. Zoals de muziek nu klinkt.

Het is moeilijk om één nummer te kiezen. ‘Magnolia‘ zou een makkelijke keuze zijn. De ballade, een cover van JJ Cale, is een nóg dramatischere versie dan het origineel. Prachtig, als dan dat stukje komt met “You whisper goodmorning … ” Of het wat Zuid-Amerikaans getinte ‘All I Need‘, waarvan je heupen automatisch gaan bewegen. Maar daar zingt hij dan weer niet op.

lee fields

Schreeuwen

Dan maar het uptempo ‘Talk To Somebody’, met een James Brown-schreeuw in het begin. In dit nummer komt veel goeds van deze plaat samen. Het is dansbaar, ruw, gelaagd, spannend, broeierig en heeft een fantastische finale: als na drie minuten het nummer even is stilgevallen, schreeuwt Fields zich in de laatste minuut naar het einde.

Wat grappig is, is dat het volgende nummer, ‘Stone Angel’, begint met een nogal hees klinkende Fields. Alsof je vooraan staat bij een optreden en hoort dat hij na een flinke inspanning even op adem moet komen, maar de band alweer een volgend nummer heeft ingezet.

Aan de basis

Fields is inmiddels een vaste waarde en stond ook enigszins aan de basis van de hele soulrevival die zich concentreert rondom Daptone Records. De al genoemde en wellicht wat bekendere Bradley begon in Europa een paar jaar geleden nog in het voorprogramma van Fields. In de VS werd Bradley op sleeptouw genomen door Sharon Jones, de koningin van de soulrevival. Zij werd op haar beurt in de jaren negentig ontdekt toen ze achtergrondkoortjes zong bij Fields. Lee Fields’ profiel mag dan niet zo duidelijk zijn als dat van zijn muzikale vrienden, maar je kunt je afvragen wat er gebeurd zou zijn als Fields nooit meer iets van zich had laten horen na dat debuutalbum uit 1979.

Tags: , , , , , , , , ,

-->