nummer van 22/02/2012 door Gijs Wilbrink

‘Lady With The Braid’ van Dory Previn

Een nare, eenzame rit

Hellevoetsluis, 1 maart 1971, elf uur ‘s avonds. Ik weet het nog goed; het was in mijn vorige leven en ik was ongeveer negentien jaar ouder dan ik nu ben. Ik had de middelbare schoolreünie ternauwernood overleefd, ondanks de overvloed aan onvermijdelijke, banale clichés die zich voor mijn ogen afspeelden. “Je bent geen spatader veranderd”, of juist “Goh, jij hebt je ook wel flink laten gaan tijdens je studie hé?”, en natuurlijk een enkele “Ik was smoorverliefd op jou, voor de oorlog.” Hoe ik precies bij Doortje, of Dory zoals ze zich nu noemde, op de bank was beland, weet ik niet meer. Ik had me netjes aan mijn zelf opgelegde maximum van drie biertjes gehouden en was nog prima in staat om terug naar Groningen te rijden. De kans dat ik gecontroleerd zou worden leek me nihil. Toch had ik me op de een of andere manier laten verleiden tot een afzakkertje in haar veel te grote en veel te lege huis in het bos, slechts een prettige vijf minuten lopen verwijderd van het aartslelijke, gerenoveerde schoolgebouwtje waar iedere spier in mijn lijf de hele dag al schreeuwend van weg wilde rennen. Hoe dat ook gegaan was, om elf uur zat ik daar, en was het blijven of huiswaarts keren. Dat de avond een breekpunt had bereikt, bespeurde zij minstens even goed.

Zou je misschien willen blijven tot zonsopgang? Je moet het zelf weten hoor, maar naar huis gaan is ook weer zo’n rit. Zo’n nare, eenzame rit.

Ik reageerde niet met woorden, maar met een gespeelde bedachtzame blik. Alsof ik het echt overwoog, staarde ik wat naar mijn spijkerjas die ik enkele uren eerder aan een haakje aan de muur had gehangen, naast een kitscherige Picasso-poster. Ze was trots op die poster, want ze noemde hem expliciet toen ze mij attent maakte op haar geïmproviseerde kapstok. Onze werelden waren zo mogelijk nog verder van elkaar verwijderd dan onze huidige woonplaatsen, ook al zat daar al een heel land tussen.

Slaap je liever aan de linker- of rechterkant? Trouwens… Ik vind het wel fijn om het licht aan te laten en het raam open te doen. Maar als je kou vat heb ik nog een sprei voor je, gehaakt door mijn nichtje. Vind je dat fijn?

We hebben het stiekem nog steeds over een liedje hoor, wees niet bang

Ik bekeek het vod met de rafelige randen en begon me nog meer af te vragen of haar voorstel wel zoveel prettiger was dan een verlate autorit. Ik zou voor half drie in mijn eigen bed kunnen liggen. Misschien nog wel een kwartiertje eerder, als ik de polder zou vermijden. Sowieso wel een goed plan, want mocht ik echt komen te knikkebollen, dan had ik nog wel wat bekenden in Zwolle die me zonder pijnzen een warm bed zouden aanbieden. Eentje met fatsoenlijke dekens en gesloten ramen, eentje zonder kriebelende rafels die je de godganse nacht uit je welverdiende slaap houden. Ja, in Zwolle zou alles beter zijn. Ik zou er in één stuk door naartoe kunnen rijden, ware het niet dat Doortje de weg naar de deur blokkeerde. Ze zat plots pal voor me, op de leuning van de bank. Of ik haar vlecht wilde losmaken. Een ongewoon verzoek, wat me ineens deed inzien wat de hele avond al niet tot mijn naïeve kop wilde doordringen. Ze wil met me naar bed. Ik schaamde me een beetje toen ik besefte hoezeer dit de situatie voor mij veranderde. Ik was even eenzaam als zij; deze overeenkomst was de hele avond al onderwerp van gesprek geweest. Haar ex-man, de succesvolle componist André Previn, had haar nog geen twee jaar geleden verlaten voor een veel jongere en mooiere actrice. Ik was nooit getrouwd geweest. Niet dat ik niet in het huwelijk geloofde, maar het was nu eenmaal zo.

“Morgenochtend maak ik een kop koffie voor je, lekker zoet, met wat honing en room.” – dat mijn interesse inmiddels gewekt was, hoefde ik haar al lang niet meer te vertellen. Ergens werd ik intens gelukkig van de gedachte om weer een nacht met een vrouw door te brengen. In mijn hoofd speelden klassieke violen een euforische melodie. Het was een aparte combinatie, die aardse vrouw tegenover mij en die violen. Ze stonden elkaar goed. Maar jezus, wat onderbrak ze haar begeleiding vaak met haar constante gepraat. Het ging maar door en door, van de hak op de tak.

Als je slaapt, heb je dan boze dromen? Je kunt morgenochtend trouwens wel de krant lezen. Ik zou je best willen zien scheren, maar de badkamerspiegel is kapot.

Blijven, weggaan, blijven, weggaan. Ik wist het niet meer. Zei ik dat hardop? “Maar als je gaat, kom je dan nog terug?” Nee, natuurlijk niet. Ik kom hier nooit, het is überhaupt een wonder dat ik hier vandaag na twintig jaar weer eens mijn gezicht laat zien. Ik had geen zin om te antwoorden. Te pijnlijk. Mijn blik viel op de badkamerdeur in de gang en ik besloot me te excuseren voor een bezoek aan het toilet. Daar lagen twee handdoeken netjes naast elkaar uitgespreid, en een mannenkam op een plank aan de – zo had ze mij verzekerd – door haarzelf beschilderde muur. Was het de hele dag al haar missie geweest mij in haar huis te krijgen? Of misschien al haar hele leven, vanaf ons vijftiende? Of maakte het haar niet uit wie er bij haar de nacht doorbracht, zo lang ze maar niet alleen was? Vanuit de woonkamer klonk het antwoord al. Wat ik van plan was, of ik zou blijven. Ik trok door, opende de deur en keek Doortje recht in haar ogen. “Het is gewoon… tja, hoe leg ik zoiets uit. De nacht, het is alsof ze me snijdt, als een mes. Toe, blijf nog even, red mijn leven.” Verdomme Doortje. Ik stond op het punt te zwichten, zo had ik met haar te doen. Maar ze herpakte zich en barstte in lachen uit.

Oh, sorry, ik heb zo’n vreemd gevoel voor humor, ik heb geen idee waarom ik dit soort dingen zeg. Maar blijf toch maar, want naar huis gaan is ook weer zo’n rit. Zo’n nare, eenzame rit.

Ze had gelijk. Het werd zoals voorspeld een vreemde, beklemmende nacht waarin ik geen oog dicht deed en me alles behalve op mijn gemak voelde, maar ik ben gebleven en Doortje vond het fijn. De volgende ochtend las ik zoals afgesproken de krant, dronk mijn veel te zoete kopje koffie, gaf haar een kus op haar mond en vertrok voor goed uit haar geredde leven.

Dory Previn, schrijfster van geweldige teksten en liedjes, overleed precies een week geleden. Vooral haar jonge jaren waren turbulent, iets wat ze zelf knap verwoordde in haar vele verhalende teksten. Zo ook ‘Lady with the braid’, dat de luisteraar vier minuten lang confronteert met Dory’s wanhoop en eenzaamheid. Gelukkig kon ze uiteindelijk tevreden terugkijken op een leven dat vanaf de door haar bezongen nacht alleen maar verbeterde. Previn werd 86 jaar.

Tags: , , , , , ,

nummer van 21/02/2012 door Martijn Koetsier

‘The Decline’ van NOFX

Het magnum opus van de punkrock

Pak een willekeurige punkrockplaat en de kans is groot dat de totale speelduur zo ongeveer rond het half uur ligt. Blijkbaar is door de jaren heen gebleken dat de spanningsboog van de gemiddelde punkrocker zo ongeveer rond dat moment zijn beste tijd heeft gehad. Niet zo vreemd, want punkrock in het algemeen en skatepunk in het bijzonder moet vooral een energieke explosie zijn die over je heen is geraasd voor je er erg in hebt. Even flink uithalen in twaalf nummers van ieder zo’n twee minuten. Iets waar NOFX in zijn bijna dertig jaar tellende carrière altijd al goed in is geweest, maar met ‘The Decline’ een nieuw hoogtepunt aan toevoegde. Wat betreft de razendsnelle drums, al even opgejaagde gitaarpartijen, mooi gestapelde koortjes en duizelingwekkende baslijnen is het een nummer als veel andere songs van NOFX. Hij is alleen tikkie langer, 18 minuten en 19 seconden om precies te zijn.

“Recording this fuck was a total nightmare”

Een punkrocknummer van dik achttien minuten, dat moet na drie minuten toch al wel gaan vervelen? Ik dacht hetzelfde toen ik voor het eerst van het krankzinnige idee hoorde, maar had eigenlijk al beter moeten weten. Fat Mike, El Hefe, Erik Melvin en Eric “Smelly” Sandin mogen dan misschien overkomen als een stel onverbeterlijke pubers, ze weten verdomd goed hoe een prima song in elkaar steekt. Dat hadden ze daarvoor natuurlijk ook al wel bewezen. Maar goed, dat je in drie minuten weet te bewijzen handig om te kunnen gaan met harmonische omkeringen en ritmische verschuivingen, betekent nog niet dat je dat ook achttien minuten lang boeiend kunt houden. Uiteindelijk kregen ze het wel degelijk voor elkaar, al ging het volgens de band niet zonder slag of stoot, zoals op hun website is te lezen:

“Nightmare! Recording this fuck was a total nightmare. Writing it was a total nightmare. I’m glad we did it but I wouldn’t do it again. We went back to the studio 3 different times and added stuff and remixed and remastered 4 times. It ain’t no rock opera like song remains the same or nothing. We got the idea from subhumans, not rush. Why an 18 minute song? Just to do something different. We’ve done enough short songs, time for a long one. Anyway, my advice, never try this song at home.”

Magnum opus

‘The Decline’ mag gerust en zonder overdrijven het magnum opus van de punkrock worden genoemd. Ruim tien jaar na dato klinkt nog geen seconde achterhaald en blijft het nummer van begin tot eind een spannende trip langs zo ongeveer alles wat skatepunk tot een van mijn favoriete muzikale genres maakt. Vooruit, toen ik 16 was luisterde ik het een stuk vaker dan tegenwoordig maar zodra ‘The Decline’ opstaat, bloeit die liefde weer in alle hevigheid op. Even een paar favoriete momenten uit die achttien minuten:

0:00 Dat intro, gelijk al perfect! De zenuwachtige spanning druipt van die snelle tikken op de hi-hat af en Fat Mike herinnert je er maar vast aan wat een baas van een bassist hij eigenlijk is.
2:37 Na twee minuten vol doorrammen breekt het hier voorzichtig open, vooral door dat typische woohoohooo-koortje. Cliché tot en met, maar het werkt als een tiet.
3:07 Had ik al gezegd dat Fat Mike een ongelooflijke baas van een bassist is? Hier nog een voorbeeldje.
6:31 Blaasinstrumenten en punkrock, van mij hoeft het niet zo. Maar goed, een punkrockopera heeft natuurlijk een terugkerend thema nodig dus we zullen het deze keer door de vingers zien.
8:15 Je kunt ‘The Decline’ eigenlijk zien als zo’n vier verschillende nummers die met instrumentale tussenstukken aan elkaar worden gebreid. Dit is toch wel mijn favoriet van die overgangen. Catchy octaafjes op de gitaren en Fat Mike die als een idioot loopt te rocken op zijn bas (alweer).
9:16 Gitarist Erik Melvin is niet bepaald een nachtegaaltje. Dat weerhoudt ‘m er niet van om om de haverklap z’n scheur open te trekken en Fat Mike stoïcijns blèrend vocaal bij te staan. Heerlijk.
9:43 Had ik al gezegd dat Fat Mike een ongelooflijke baas van een bassist is? Gaat ie weer hoor.
11:04 Na tien minuten punkrockgeweld even een rustpuntje. Wel zo lekker voordat de storm weer losbarst. Het herhalende “One more pill to kill the pain” vat ook mooi het deprimerende tekstuele thema samen, over een afglijdende maatschappij waar iedereen het liefst de ogen voor sluit.
12:38 Daar is ie hoor, die beloofde uitbarsting. Niet te ingewikkeld, maar gewoon vol blazen met drums en gitaren. En een krijsende Erik Melvin op de achtergrond.
14:48 “Meet the Decline” zingt Fat Mike en luidt daarmee het einde van het nummer in dat in de resterende minuten nog naar een mooie muzikale climax toe werkt, inclusief stadiongejuich en een outro door een krakkemig radiootje. Wat een wereldnummer.

Tags: , , , ,

nummer van 20/02/2012 door Kris Coorde

‘You’ van Bill Withers

Sorry dat ik je zo vaak vergeet Bill

Bill Withers, het zal eens geen tijd worden zeker? “Whoops! Geen nummertjes gevonden. Probeer het nog een keer!”  Zonde dat dit het resultaat is van je zoekopdracht op Nummer van de dag, wanneer je naar zo’n groot artiest zoekt. Zonde, maar het verbaast me ergens ook niet. Ik betrap mezelf er met regelmaat op dat ik Withers wel eens vergeet. Vraag me naar de groten uit de funk- en soulgeschiedenis en James Brown en Curtis Mayfield zijn de eerste namen die je te horen krijgt. Marvin Gaye, Otis Redding en Stevie Wonder volgen snel. Ike Turner, Aretha Franklin … er zullen er nog wel wat volgen, maar Bill Withers, die noem ik stomweg niet. Geloof me, dat is niet omdat ik bovenstaande artiesten hoger inschat. Withers hoort een van de eerste namen te zijn die in me opkomt. Denk maar eens aan de klassiekers die hij geschreven heeft: ‘Use Me’,  ‘Lean On Me’, ‘Just The Two Of Us’, ‘I Can’t Write Lefthanded’, ‘Grandma’s Hands’, ‘Who Is He (And What Is He To You?)’, ’Ain’t No Sunshine’. Dat kan tellen! Maar om de een of andere reden denk ik toch te weinig aan Withers. Ik heb af en toe een trap onder mijn kont nodig om me aan hem te herinneren.

Met dank aan Wax Poetics

Withers is een artiest die in het collectief geheugen gegrift zit. ‘Grandma’s Hands’ kennen we omdat Blackstreet het gesampled heeft in hun hit ‘No Diggity’. ‘Who Is He’, ‘Just The Two Of Us’ en ‘Ain’t No Sunshine’ zijn nummers die we allemaal wel kennen, maar waar de naam van de uitvoerder ons vaak ontglipt. “Oh, is DAT Bill Withers?”,  zei mijn vriendin toen ik het laatstgenoemde nummer liet horen. Natuurlijk zou ik over deze nummers kunnen vertellen. Over de “I know I know I know I know I know…” uit ‘Ain’t No Sunshine’ of over de fantastische tekst van ’I Can’t Write Lefthanded’, maar ik wil het hebben over minder bekend werk van Withers dat zeker niet minder goed is, het album +’Justments (nee, vraag me niet hoe je het uitspreekt.)

In een eerder nummer van de dag liet ik me al uit over Wax Poetics, mijn favoriete bron om muziek te ontdekken. Het eerste wat ik steevast lees wanneer ik een nieuwe WP gekocht heb, is het onderdeel ‘Re:Discovery’ waarin een aantal vaak obscure singles en platen belicht worden. Als mijn nieuwsgierigheid voldoende geprikkeld is, worden YouTube, Spotify en eventueel Soulseek of Discogs erbij gehaald.Dat was zeker het geval toen ik de eerste ‘Re:Discovery’ van WP44 (een fantastische issue met coververhalen over WAR en Syl Johnson) las. Bill Withers was me natuurlijk niet onbekend, maar +’Justments, het onderwerp van het artikel wel. De afbeelding van de hoes trok onmiddellijk mijn aandacht. Uitvoerder en titel in de linker bovenhoek. Strak lettertype en opvallend rood. Een grote flitslamp uit een fotostudio er naast, je weet wel, met zo’n paraplu er aan. Er onder zie je Bill Withers wat schrijven – in spiegelschrift.

‘You’ is de opener van de plaat. Ondanks de ingetogenheid van het nummer -typisch Withers- groovet het nummer als een malle. De schuifelende drumbeat en de twee tegen elkaar duelerende pianoriedels creëren een ongemakkelijke spanning. Vastberaden, maar met zachte stem valt Withers in: “You want to take me to a doctor to talk to me about my mind. To try to give directions to some places that I don’t really want to find.” OUCH!  Love gone bad en er moet duidelijk nog wat verwerkt worden. Withers blijft vuur spuwen, iets wat in die tijd vrij ongebruikelijk was. De liefde werd bejubeld en liefdesverdriet werd met de mantel der liefde bedekt. Daar deed Bill niet aan mee. “You’re talking right to me, but you really ain’t saying a thang. You’re pouring muddy water on me, trying to convince me it’s rain.” Ongemakkelijk en onconventioneel, dat is ‘You’ zeker. Tekstueel boeiend en vrij van herhaling, geen refrein, geen brug, maar mijn god, wat een schitterende opener van een fascinerende plaat.

Tags: , , , , ,

nummer van 19/02/2012 door Miriam Rasch

‘Astro’ van The White Stripes

Waarom moeilijk doen als je stampen kan?

Zondag, dus is het weer tijd voor een gastblog. Vandaag een mooie van Miriam Rasch, wetenschappelijk programmamaker bij Studium Generale. Miriam studeerde literatuurwetenschap en filosofie en schrijft recensies en columns voor onder andere 8WEEKLY. In haar boekenkast is een apart hoekje gereserveerd voor alle kaartjes van optredens die op stapel staan. Als tegenwicht aan alle ingewikkelde zinnen en gedachten staat ze namelijk ook graag in bier- en modderplassen op concerten en festivals. En ze moet zichzelf altijd bedwingen om op het podium van Studium Generale niet enorm uit te halen met die microfoon in de hand. 

Ga midden in de kamer staan, zet de muziek aan, breng je rechtervoet naar voren, buig een klein beetje voorover, tel tot vier en stampen maar. Dat ben ik.

Een, twee, drie, vier; jongen, meisje, gitaar, drumstel. Ik hou van ingewikkelde dingen (boeken met korte zinnen kunnen me bijvoorbeeld niet bekoren, evenmin als al te aardige mensen), maar als het gaat om muziek wil ik het liefst platvloers stampen. Waar komt dat vandaan? Laat ik heel ingewikkeld proberen deze voorkeur voor eenvoud te begrijpen.

Op twee benen je evenwicht bewaren

Maatgevoel ontstaat in de baarmoeder, hoor je vaak. Het kind hoort de hartslag van de moeder en dat is het begin van een leven vol muziek. Daar kun je je bij The White Stripes wel wat bij voorstellen. Een mooie gedachte, maar waarom hebben andere zoogdieren dan geen muziek? Apen mogen dan ritmisch op hun borst bonken, maar ze dansen niet. Er zijn aanwijzingen dat de menselijke neiging om muziek te maken en te dansen (ooit op een wonderlijke manier uit elkaar gegroeid) te maken heeft met het moment dat een oeroude voorvader op twee benen ging staan. Was hij een beetje wiebelig in de knieën en is het zo begonnen? Om het evenwicht te bewaren zet hij de voeten heel stevig neer, zo regelmatig mogelijk: daar heb je het eerste rocknummer. De beat deel je doormidden, met je twee benen. Precies zoals ik midden in de kamer sta te stampen: Jas-per, As-tro.

It’s the DNA stupid

In elk geval lijkt muzikaal gevoel een aangeboren iets dat alle mensen delen. Iedereen is muzikaal, zoals het boek van hoogleraar muziek en cognitie Henkjan Honing is getiteld. Niet per se als het gaat om het maken van muziek, maar wel in het luisteren. Baby’s horen al wanneer een maat niet klopt en kijken op als daarin een noot mist. In de BBC-documentaire How music works is te horen hoe mensen van over de hele wereld dezelfde vijf noten gebruiken in hun volksliedjes. De vijf noten zijn in ons DNA gegraveerd, ‘als de vijf vingers van onze hand’. Weinig ingrediënten, dat is gewoon waar ons DNA om vraagt! ‘The key is not how many notes you have, but what you do with them’, vervolgt de presentator. Daar kan ik me wel in vinden en Jack en Meg denk ik ook.

Vleestrompettist

Vanuit een vogelperspectief blijkt verschil in muzikaliteit dus niet zo heel groot te zijn, maar gelukkig kunnen we ellenlang discussiëren over welke muziek beter is (love it) en waarom onze smaak de beste is. Sommige onderzoekers beweren dat je je muzieksmaak van je moeder krijgt. Waarom? Heeft het toch iets met die baarmoeder te maken? Je kunt het ook anders zien: je smaak wordt gevormd door je omgeving en de meeste mensen brengen nu eenmaal meer tijd door met hun moeder dan met hun vader. Mijn muziekvoorkeur lijkt meer op die van mijn vader, maar ik had dan ook een vader die thuis werkte. En die van blues hield. Hij kon als een wilde meerammen op de piano bij elk willekeurig bluesnummer en deed daarbij ook niet onverdienstelijk een trompet na. Een van de redenen dat ik het pianospelen vaarwel heb gezegd is omdat het mij nooit lukte om zo op het gehoor mee te improviseren.

Buiten adem

Is het dan zo eenvoudig mijn voorkeur voor de ‘nieuwe’ blues van The White Stripes te verklaren? Is het niet de schuld van mijn DNA, maar van mijn ouders (die me natuurlijk mijn DNA gaven)? Nee, die voorkeur is toch niet volkomen particulier, daar moet meer achter zitten. De meer filosofische doctoren die zich met muziek bezighouden, wijzen op begrippen als authenticiteit en nostalgie. Ook zonder Schopenhauer of Nietzsche erbij te halen (zo ingewikkeld zal ik het niet maken, het gaat nog steeds over bovenstaand drieminutennummer) zijn dit niet de meest eenduidige begrippen. Maar vooruit. Authenticiteit is makkelijk te koppelen aan het rauwe geluid. Wat ik interessanter vind is dat het zichzelf lijkt voort te stuwen, waardoor ik niet anders kan dan voorover hangen alsof het heel hard waait en met mijn voet te gaan stampen. Dat is voor mij de authenticiteit van The White Stripes. Het nummer móet vooruit, het kan niet anders. De muziek loopt haast achter zichzelf aan, buiten adem. Geen tijd te verliezen.

Verlangen naar een tijd die er nooit was

Die tijd is al verloren. Nostalgie, die andere poot naast de authenticiteit (we hebben er immers twee om mee te stampen en de beat doormidden te breken), is het verlangen naar een tijd die er niet meer is. Ja, The White Stripes grijpen terug op de muzikale geschiedenis. Dat is niet eens zo interessant. Het is de vraag waarom wij daar zo sterk op reageren die me boeit. Cultuurfilosoof Edwin van Meerkerk noemt in een lezing over Kurt Cobain nostalgie het verlangen naar een tijd die we niet verloren hebben, maar die er nooit geweest is. Muziek is nu, dat maakt ook dat je er zo in op kan gaan. Maar we voelen in het stampwerk een melancholische verliefdheid op het verleden. Misschien niet het sixties-verleden waar Jack White verliefd op is, maar het verleden van onze ouders of van onze oeraap-voorouders.

Orde in de chaos

Wetenschap probeert orde te brengen in de chaos. Muziek doet dat denk ik ook. ‘Astro’ pendelt tussen chaos en orde, tussen vier keer stampen en mee willen rammen op een piano, tussen authenticiteit en nostalgie. In dit nummer vieren The White Stripes de chaos door er een orde aan op te leggen. Inderdaad, dat is een heel ingewikkelde manier om iets te zeggen wat je ook gewoon kunt… stampen.

Tags: , , , , ,

nummer van 18/02/2012 door Gabriela van der Lans

‘Bandy Riddles’ van Hanne Hukkelberg

Stervormige zonnebril en hartvormig hart

Vanaf de eerste seconden van ‘Bandy Riddles’ voel je dat de Noorse zangeres Hanne Hukkelberg ergens naartoe aan het werken is. Korte, ritmische gitaaraanslagen (Hukkelberg zelf) en een drumkick commanderen een snel tempo, strak en dwingend. Iets in je lijf is nu mee aan het bewegen, of het nu je voet, hand of je hoofd is.

Wat “bandy riddles” precies zijn, is niet helemaal duidelijk. Maakt het uit? Wat ze ook zijn, ‘Bandy riddles’ is een liefdesliedje. Het soort liedje waarin je een hartslag hoort die het niet kan helpen te versnellen als zijn nieuwe liefde in zicht is. Is er meer informatie nodig om van een nummer te houden?

Hukkelberg zingt over haar stervormige zonnebril en hartvormige hart als de intensiteit van het nummer in de eerste minuut beetje bij beetje toeneemt. Op 1:20 voegt een cello een dramatisch effect toe en even lijkt het of het nummer vanaf dan uitgebloeid is. Maar de spanning wordt langer vastgehouden dan 1:20 doet vermoeden. Voor je het weet wordt het geluid weer kleiner en last Hukkelberg op 2:31 met een oooh een pauze in — een oooh die een paar tellen lang de resonantie van een Indiase ‘om’ in je hoofd achterlaat.

Hukkelberg, vroeger zangeres in een doom metal band, kan alles met haar stem. In de zachte, lage, noten hoor je een kraakje en in de hoge harde noten klinkt ze urgent en brutaal. Zonder ooit een zekere meisjesachtige kwaliteit te verliezen. Ze is haar eigen perfecte koortje, maar kan net zo makkelijk in haar eentje het geluid van een kerk vullen, zoals ze deed tijdens een concert in Paradiso in 2010. Hoogzwanger en zonder band (en met alleen een laptop en een gitaar tot haar beschikking) nam ze moeiteloos een volledige herinterpretatie van haar album Blood from a stone (2009) op zich.

Terug naar ‘Bandy Riddles’. Op 2:50 is Hukkelberg twee stappen vooruit en één stap terug gegaan. De opbouw begint weer bijna van voor af aan.

Different shapes and colours
You’re helping me unwind
You are one of a kind
And you lighten up my mind

De nieuwe liefde die Hukkelberg doet vliegen. Een simpele tekst die precies zegt waar het om gaat, niets meer, niets minder. Dan:

If I was a song
Then I’d be yours
And I’d cure your woe

Vanaf woe gaat het los. “Woe” – wat een mooi woord om in te blijven hangen, precies zoals Hukkelberg het doet.[1] De zanglagen komen van alle mogelijke richtingen op je af, tot een marching band-achtige passage op 3:55 aan toe. Wat zingt ze?

We’ll sing each other’s songs
That’s where our love belongs

  1. [1] En zoals ook The Walkmen hier hebben gedaan.

Tags: , , , , ,

nummer van 17/02/2012 door Martijn Koetsier

‘Tempted’ van Squeeze

Smooth, smoother, smoothest

Daar reed ik dan, in m’n gloednieuwe Infernus langs Ocean Beach. Ondergaande zon aan de horizon, raampje omlaag, een warme avondbries door de wagen en over de speakers ‘Summer Madness’ van Kool & The Gang. Hoe graag ik ook zou willen dat dit een daadwerkelijke vakantieherinnering was, speelde dit tafereel zich af in Vice City, de fictieve stad uit de gelijknamige game uit de Grand Theft Auto-reeks. Ik zou de rest van dit stuk makkelijk kunnen wijden aan het in de hemel prijzen van die game, maar ik zal het voor de niet-gamers beperken tot het duiden van de aanleiding voor het nummer van vandaag.

Yacht rock

Tot 2002 dacht ik namelijk altijd een hekel te hebben aan muziek uit de jaren ’80. Plastisch, kil, fantasieloos, overgeproduceerd en ga zo maar door. Totdat ik in GTA: Vice City de ene muzikale herontdekking na de andere deed. Nummers die ik allemaal al eens had gehoord maar op een of andere manier had verdrongen in mijn geheugen. De Miami Vice-achtige sfeer, het decadente wereldje en de overweldigende game-ervaring van Vice City zorgden er echter voor dat die nummers allemaal op hun plek vielen en ik er voor het eerst pas echt goed naar luisterde. Al gamend ontwikkelde ik een voorliefde voor een genre waarvan ik pas later de benaming zou ontdekken: yacht rock.

Stay smooth!

Sterker nog, de term bestond op dat moment nog niet eens en werd pas in 2005 geïntroduceerd toen schrijver, acteur en regisseur J.D. Ryznar een online videoserie onder de titel Yacht Rock uitbracht. Het viel Ryznar op dat een paar van de gladste bands van eind jaren zeventig en begin jaren tachtig nogal in hetzelfde cirkeltje ronddraaiden. Zo werkten de bandleden van Toto, Steely Dan en The Doobie Brothers regelmatig samen en doken ook singer-songrwiters als Kenny Loggins en Michael McDonald regelmatig op. De serie telde uiteindelijk twaalf afleveringen van ieder zo’n vijf hilarische minuten. Een absolute aanrader waarin de meest idiote verbanden worden gelegd en de muziek op een terecht voetstuk wordt geplaatst. Favoriete aflevering? Toch wel die waarin Michael McDonald na tien jaar eindelijk een weddenschap wint als rapper Warren G McDonalds nummer ‘I Keep Forgettin’ (Every Time You’re Near)’ samplet in zijn ‘Regulate.’

Californië aan de Thames

Maar goed, het nummer van vandaag. Die zat ook in GTA: Vice City en kwam laatst weer eens voorbij toen ik in m’n Opel Astra op een druilerige middag over de A28 reed en Arrow Classic Rock luisterde. Een minder idyllisch beeld inderdaad, maar ik was op slag weer terug in het zonnige Vice City. Soundhound moest er wel even aan te pas komen om te ontdekken dat het nummer van Squeeze was en eenmaal thuis ging ik maar eens op zoek naar meer materiaal van de band. Gek genoeg bleek het beeld dat ontstond niet echt in het yacht rock-plaatje te passen. Een stel bleke Engelsen in plaats van gebruinde Californische jongens en verdacht weinig nummers over zeilen, dure auto’s en andere vormen van luxe overdaad. Ook muzikaal was het allemaal niet zo smooth als dat hoort bij yacht rock. De rest van het oeuvre had vooral invloeden uit de new wave en power pop. Hoe kon zo’n band dan toch zo’n übergladde track maken?

Na enig gezoek bleek dat te wijten aan toetsenist Paul Carrack, die vlak voor het opnemen van Squeeze’ vierde album East Side Story bij de band was gekomen. Hij volgde Jools Holland op (inderdaad, die ja) en had daarvoor bij bands als Ace en Roxy Music gespeeld, bands die eind jaren zeventig een stevig aandeel hadden in wat later yacht rock zou gaan heten. Carrack schreef voor Ace zelfs het nummer ‘How Long,’ waardoor de bandleden van Squeeze natuurlijk al nattigheid hadden moeten voelen. Hoewel Carrack ‘Tempted’ niet zelf schreef, nam hij wel de vocalen [1] voor zijn rekening en paste hij met zijn witte jasje met schoudervullingen in de clip perfect in het yacht rock-plaatje. Het werd uiteindelijk een van Squeeze’ bekendste nummers. Voor wie niet genoeg kan krijgen van ‘Tempted’ en andere nummers uit GTA: Vice City heb ik maar even een playlist op Spotify gemaakt met mijn favoriete nummers uit de game. Smooth sailing!

  1. [1] In het tweede refrein en in de achtergrondkoortjes hoor je trouwens ook nog producer Elvis Costello meezingen.

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

nummer van 16/02/2012 door Johan Vogels

‘(That’s how you sing) Amazing grace’ van Low

Er valt niks meer te redden

Low had wat verwachtingen in te lossen toen de band in 2002 met Trust op de proppen kwam. De plaat daarvoor, Things we lost in the fire (2001) had de band stevig verankerd in de alternatieve muziekwereld en wordt nog steeds gezien als de beste plaat van het trio uit Duluth, Minnesota.

Om die torenhoge verwachtingen te lijf te gaan, liet  Low zich voor Trust inspireren door de donkerdere en wat zwaarmoedigere kant van het leven. Voorganger Things… was toegankelijk en gestoeld op de zoetere en warmere vormen van melancholie. Maar daar werd onmiddellijk korte metten mee gemaakt toen voor de eerste keer over de hele wereld fans de naald op het vinyl lieten zakken en opener ‘(That’s how you sing) Amazing grace’ zich voor hen ontvouwde.

Low

Lows ‘Amazing grace’ is een donkere hellegang die onwaarschijnlijk geïnspireerd is door de bekende christelijke hymne uit 1772 met dezelfde naam, geschreven door John Newton. Newton was een slavenhandelaar die zich pas tot God wendde, nadat hij en zijn schip bijna op zee vergingen tijdens een zware storm. Iets later zwoer hij de handel in mensen af, bekeerde zich en begon theologie te studeren. Jaren later maakte hij naam met zijn hymnes, zoals ‘Amazing grace’. Newtons versie is een optimistisch lied met als boodschap dat vergeving  en verlossing mogelijk zijn, ongeacht de zonden die je begaat. Hij baseerde de tekst op zijn eigen ervaringen:

The Lord has promis’d good to me
His word my hope secures
He will my shield and portion be
As long as life endures

Low draait de boel om. De dikke zeven en beklemmende minuten klinken kil en omineus. Het eerste couplet gaat over een meisje dat aan drugs is verslaafd:

I knew this girl when I was young
She took her spikes from everyone

In het tweede couplet refereert de band aan de oude traditional van Newton, waarvan de eerste twee regels tekst als volgt gaan:

Amazing grace (how sweet the sound)
That saved a wretch like me

Maar bij Low klinkt de gratie Gods helemaal niet sweet. Integendeel:

It sounds like razors in my ears
That bell’s been ringing now for years

Uiteindelijk geeft de zanger zich toch nog over. Het komt dus goed? Volgens mij niet. Het maakt niet uit of ik me verzet, lijkt hij te willen zeggen. Want iets te redden valt er niet meer:

Oh, can you hear that sweet, sweet sound?
Yeah, I was lost but now I’m found
Sometimes there’s nothing left to save

Tags: , , , , , ,

-->